Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Het Einde volgens Jeroen Theunissen

Over mislukte outsiders, totalitarisme, perfecte steden en een wereld die geen dorp is geworden

 

foto bij elke van Royen, (koen broos).jpg

Ik geloof niet in een neutrale interviewer. Wie het neerpent, heeft de macht over het interview. Dat is ons eerste gespreksonderwerp. Jeroen vertelt dat een gesprek met een journalist meestal afwijkt van wat er in krant of tijdschrift verschijnt. “Wat in de krant komt, is altijd een selectie. De nuances zijn vaak anders. Soms is dat wat teleurstellend. Ik spreek liever voor en met een publiek, tijdens de Literaire Lente bijvoorbeeld.” Ik geef toe dat dit interview op papier ook van geen kanten ons gesprek zal weerspiegelen. We zijn het erover eens dat dat onvermijdelijk is. Ik besluit het op mijn eigen(wijze) manier te doen, en hoop toch beter te doen dan het doorsnee krantenstuk. Als Gods Lieve Moeder Maria het toelaat. Denkend aan de allesbehalve heilige geest van Reve, amen.

 

Met Het einde begint Jeroen meer publiek te oogsten. Voordien schreef hij al De onzichtbare en de (geloof het of niet) opwindende dichtbundel Thuisverlangen. Het einde is nu aan zijn tweede druk toe. “Het is fantastisch,” zo zei zijn uitgever hem vanmorgen nog, “dat er een foto van je in het boek staat.” De kop van de schrijver is fotogeniek, zijn oorbel alternatief, zijn blik vastberaden en tegelijk op oneindig. De foto past bij het boek, volgens de uitgever. En hij trekt aan, want gelukkig is Jeroens hoofd jong en knap en (nog) niet verzakt, versleten, bebrild en onaantrekkelijk. “Het is een spelletje, een wereldje. Ik moet en wil eraan meedoen. Ik draai mee in de carrousel”, zegt hij daarover. Hoe valt dit te rijmen met de romantische zweem die over zijn schrijven hangt, zijn linkse profiel, de verbondenheid met de idealistische andersglobalisten? Zijn antwoord vat zowat het hele komende interview samen. “Ik moet pragmatisch én idealistisch zijn, constant een balans zoeken”.

 

Het einde bevat drie verhalen en een mini-essay, die bol staan van nieuwsfeiten uit de periode omstreeks 2004, maar ook van permanente problemen zoals global warming, tsunami’s en andere globale of lokale ‘uitdagingen’. De stijl waarin Jeroen ze beschrijft, lijkt op de manier waarop de feiten ook in het echte leven worden meegedeeld, maar is tegelijkertijd gedoopt in spot, in ironie. Die gelaagdheid is volgens mij één van de krachtigste elementen van Jeroens schrijverschap.

“We worden voortdurend belaagd door een eindeloze instroom van informatie, van feiten die we belangrijk moeten vinden. Ik heb het dan over nieuwsfeiten, maar ook over reclameboodschappen. Reclamejongens en nieuwsmakers vertellen ons niet alleen wat, maar ook hoe we over de wereld moeten denken. Als we de krant lezen of het journaal bekijken, lijkt het alsof wij in het westen neutrale observators zijn. We zijn net buitenstaanders die meewarig toezien hoe het elders minder goed gaat. Ons leven is beter. Daarom doen wij het veel beter dan alle sukkelaars van de wereld. Die arrogante houding die vanzelfsprekend is geworden, wil ik tonen en bekritiseren. Het is een cynische, stompzinnige, zelfs manipulatieve manier van omgaan met taal en met de werkelijkheid.”

 

Doen ‘linksen’ als wij het dan beter als we over de wereld praten, vraag ik me af?

“Eigenlijk niet. NGO’s, andersglobalisten, allerlei linkse organisaties en figuren gebruiken slogans en retoriek op de manier die hen het beste uitkomt. In mijn boek beschrijf ik een kraker die vervuld is van kritiek en verlangen naar een betere wereld. Eigenlijk is dat een onbenul en een klootzak. Hij praat zichzelf constant goed, en onvermijdelijk raakt hij hopeloos verstrikt in dat spel van denken, taal en doen.”

 

In de drie verhalen gaat het telkens om iemand die deel uitmaakt van een groep mensen, maar faalt om er echt toe te behoren. De omgeving speelt een belangrijke rol, dringt zich zelfs op. Er is een spanning tussen het individualisme en een bezorgdheid over de grotere samenleving.

“Ik had het niet beter kunnen zeggen, professor”, knipoogt Jeroen. “Het is moeilijk om outsider te zijn terwijl je ook deel uitmaakt van een samenleving. Het wordt helemaal een probleem als je voortdurend aangemaand wordt om te normaliseren, je aan te passen, zoals dat tegenwoordig gebeurt. Er valt al evenmin te ontsnappen aan het individualisme. Het is bovendien erg moeilijk om weg te geraken uit een taalgebruik, uit een taalwerkelijkheid waarin je zelf bent opgegroeid. Ik weet ook niet hoe het moet.”

Je doet het toch niet slecht in dit boek, vind ik hardop. Ik vraag hem hoe het precies zit met het belang van taalgebruik in de maatschappij?

“Filosofen uit de 20ste eeuw hebben aangetoond dat taal één van de basiselementen van de werkelijkheid is. Je kunt niet buiten de taal. Ik denk dat het goed is om dieper te gaan, om je taalgebruik te durven ontleden. Als schrijver ben ik dagelijks bezig met de link tussen mezelf, de werkelijkheid en de weergave in taal. Het is veel meer dan een verhaal en een stijl.”

 

Ik merk op dat hij niet alleen bekritiseert wat in onze samenleving leeft, maar dat hij het ook prijst.

“Dat is waar. Ik leef in een fantastische omgeving, die me veel kansen biedt. Tijdens je ontwikkeling word je verondersteld om van idealist te veranderen in pragmaticus. Ik ben het er mee eens dat je pragmatischer moet worden. Niets is zo onnozel als een volwassene die blijft zweren bij één of ander –isme. Anderzijds kan je het niet met pragmatiek alleen doen. Ik geloof, en ik denk dat dat duidelijk is in wat ik schrijf, dat er een heleboel beter kan. Idealen zijn tegenwoordig passé. Fukuyama zei dat we het einde van de geschiedenis beleven, omdat we een perfecte manier van leven hebben gevonden. Het einde dus van de grote verhalen, van de idealen. Dikke onzin. Je moet kritisch blijven, en in veranderingen blijven geloven. Je moet een balans zoeken tussen idealisme en pragmatiek.”

Je bent dus kritisch, maar je probeert ook kritisch te zijn tegenover je eigen kritische houding, probeer ik. “Zoiets. Ik probeer mijn visie in vraag te stellen en te relativeren. Ik lach met wereldverbeteraars, maar ik ben er zelf ook één. Ik lach met mezelf, maar ik blijf ook in mijzelf geloven, anders verval ik in lethargie.”

 

Veel elementen uit het boek sluiten nauw aan bij Jeroens eigen leven. Personage Marc Steen ging als vrijwilliger naar Zuid-Amerika. Heeft hij ook niet zoiets gedaan? “Dat klopt.” Marcs verhaal verschilt wel danig van de enthousiaste verslagen die ik altijd in mijn mailbox krijg van geëngageerde jongeren in Afrika of Zuid-Amerika.

“Dat zal wel zijn. Die reizen naar de andere kant van de wereld, vaak als vrijwilliger binnen één of ander project met een goed doel, hebben iets dat niet helemaal koosjer is. Ja, we hebben grote idealen. Maar als puntje bij paaltje komt, blijkt dat we het meer doen voor onze zelfverwerkelijking. Iedereen doet het tegenwoordig, want we kunnen het ons permitteren en het is een geweldige ervaring. Zelfs al haal je geen klop uit.”

Ikzelf ben een dik half jaar vrijwilliger bij een vormingsorganisatie voor kleine boeren in DR Congo geweest. Ik had vaak het gevoel dat ik niet begreep hoe de maatschappij, het dagelijkse leven van de mensen er precies werkte. Nochtans had ik een relevante universitaire studie achter de rug, zat ik er toch een tijdje met mijn neus op, en liep ik over van nieuwsgierigheid en goede wil. Ik heb wel iets aangeraakt en dat iets heeft mij aangeraakt, maar vraag me niet wat het was. En eigenlijk is dat niet meer dan logisch. Je begrijpt ook niet alles van het land of de stad waarin je bent opgegroeid en waar jarenlang leeft.

 

Eén van mijn meest aangrijpende reiservaringen had ik in een jeugdherberg in Zambia. De andere jonge toeristen stelden voor om ’s avonds iets te gaan drinken in de stad. Ik zag dat volledig zitten, in groep ’s avonds de stad verkennen. Toen het avond was, stapten we met zijn allen in twee jeeps, de poorten van de jeugdherberg openden zich, we reden een paar honderd meter tot aan een blinkend westers hotel waarvan de poorten zich openden en na ons sloten. Daar bleek ‘de stad’ een luxueuze disco te zijn met alle mogelijke sterke drank, pop en house muziek, en alleen maar blanken! Symbolischer kan bijna niet. Die jongeren bleken naar Zambia te zijn gekomen om zich lam te feesten, te raften en te bungeejumpen. Het schijnt dat een Zambiaan één van hen ooit vroeg, in een zeldzame ontmoeting, hoeveel ze werden betaald om aan een koord in een afgrond te springen. Godverdomme, kan je je de afstand tussen die twee mensen voorstellen? Vind jij dan dat de wereld een dorp is geworden?

Jeroen valt in. “De wereld is helemaal geen dorp geworden! Geestelijk liggen we mijlen uit elkaar!” Maar soit, we hadden het over een boek… “…En over goedmenende vrijwilligers. Ach, als we onszelf nooit in vraag stellen, worden we idioten. Maar ik heb nog meer respect voor mijn personages dan voor die fuifbeesten in Zambia.”

 

De stad is expliciet een belangrijk kader in de verhalen van Het einde. De personages hebben er een haat-liefdeverhouding mee. Ze dromen van een betere, onbereikbare, perfecte stad.

“Eigenlijk willen ze weg uit de stad, die vaak vergelijkingen toont met Gent. Ze willen iets groters, iets echters. Ze willen actie, de wilde natuur. Als je hier in Gent woont, woon je eigenlijk in een soort utopie. Het is in feite heel gemakkelijk om hier tolerant te zijn. Hier zijn weinig problemen, bijna iedereen leeft hier goed, het is hier aangenaam. Mijn personages merken dat daar iets niet klopt. Eigenlijk verlangen ze naar transcendentie, naar de stad van God zoals Augustinus die heeft beschreven. Personage Joost Helder is op zoek naar transcendentie, maar hij weet tegelijkertijd dat zijn zoektocht nonsens is.”

 

Hier wordt het moeilijk. Wat ik ook niet goed begrijp in het boek: wat voor iemand is Ludwig Lazarus in godsnaam? Een maffe wetenschapper die een paar duizend jaar oud wil worden, iemand die gelooft dat een hoogtechnologische instantie ons naar een ultiem ideaal zal brengen?!

“Ik heb een heleboel zaken uit dat verhaal niet zelf verzonnen! Bepaalde wetenschappers zijn echt bezig met het zoeken naar de onsterfelijkheid. Sommigen zijn bloedernstig bezig met hoe de mensheid het probleem van de dood van de zon zal overkomen.”

Meen je dat nu echt? Wordt dat serieus genomen? Hoe absurd. Als iedereen onsterfelijk wordt, wat dan met de overbevolking? En is dat niet minstens zo beangstigend als doodgaan? En… “Ik kan je een paar boeken en internetsites laten zien. Het is angstwekkend. Het meest verontrustend is dat er niets onder dat doel van onsterfelijkheid zit. Het is heel oppervlakkig. Het heeft iets van totalitarisme. Die wetenschappers willen zich opofferen in functie van iets beters, iets totaals. Dat heb ik niet uit mijn mouw geschud. Het is gevaarlijke onzin, maar geen fantasie.”

 

We zijn op het punt gekomen van de grens tussen werkelijkheid en taal. Een denken en een taal die een werkelijkheid gaan creëren, soms een gevaarlijke werkelijkheid. Ooit was de holocaust daar een gevolg van …

Ik word er moe van. Hoe zal ik dit op papier krijgen? Misschien moeten we eerst maar iets gaan eten in onze utopische, geliefde, bekritiseerde stad.

Dank je wel Jeroen, voor je boek en dit interview! Het was net echt!

 

Elke Van Royen

 

Jeroen Theunissen, ‘Het einde’
Verschenen: april 2006, Uitgeverij J.M. Meulenhoff

 


Jeroen Theunissen wint

Jeroen Theunissen wint literatuurprijs van provincie (UIT DE GENTENAAR VAN 27 DECEMBER)

GENT - Gentenaar en aanstormend literair talent Jeroen Theunissen heeft met de roman Het einde de prijs voor proza van de provincie Oost-Vlaanderen gewonnen. 'Ik ben erg blij dat mijn werk erkend wordt', zegt Theunissen.
Na de lovende recensies en talrijke vermeldingen in eindejaarslijstjes literatuur, bracht 2007 dus ook de eerste officiële erkenning voor Theunissen. Het einde is Theunissens derde boek, na zijn debuut De onzichtbare en de dichtbundel Thuisverlangen.

De jury prees de dertigjarige auteur omdat hij belangrijke maatschappelijke thema's, zoals globalisering en alternatieve zingeving, aan bod laat. Toch wordt Theunissen niet gedreven door engagement. 'Ik wil in de eerste plaats een goed boek schrijven, niet de wereld verbeteren. Omdat het verhaal zich vandaag afspeelt, schemert mijn maatschappijvisie er automatisch in door.'

Het einde van de liefde, van het leven en van een tijdperk: Het einde gaat over meer dan één einde. De roman is een verhalenfresco. Er zijn drie verhalen en een slotbeschouwing. Een schilder is verlaten door zijn geliefde. Een kraker predikt ongeloofwaardige andersglobalistische en andere theorieën over de maatschappij. En een naïeve vrijwilliger vertrekt naar Ecuador om er de global warming te bestrijden. Een boek vol existentialistische vragen dus.

En het antwoord? 'Zelfs als er geen opening of hoop is, dan nog moet je blijven strijden', zegt Theunissen.

Bij de onderscheiding hoort ook een prijs van 5.000 euro. 'Geld dat ik goed kan gebruiken', zegt Theunissen. 'Ik heb net een huis gekocht en ben volop bezig het in te richten. Iedere euro is dus welkom. Toen ik gebeld werd over de prozaprijs, was ik trouwens net aan het verven. (mmj)