



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Een kleine boodschap
Er liep een vrouw op straat met in de ene hand een boodschappentas en aan de andere hand een zoontje. Ze keek vermoeid en zuchtte nadrukkelijk terwijl ze zich een weg probeerde te banen tussen de fietsers en wandelaars die zich door de winkelstraat haastten. Het was iets over zessen en te bewolkt om te kunnen zien of de zon al helemaal onder was. Eén na één doofden de winkels hun lichten en rolden hun met graffiti bespoten luiken met een klap naar beneden. In enkele minuten tijd verdween elk spoor van aantrekkelijkheid uit de winkelstraten en droop de mensenmenigte af naar smakelijker en vermakelijker oorden.
De straatverlichting flitste nu elke dag wat vroeger aan, maar zeker nog twee uur lang zou dit deel van de stad meer op een groezelige achterbuurt gelijken dan op een sfeervol verlicht winkelparadijs.
“Mingus, laat dat!” De vrouw blikte verwijtend naar haar zoontje, dat dichter bij de grond een aangename bezigheid had ontdekt in het oprapen van papiertjes die mensen in de loop van de dag hadden achtergelaten. Hij hoopte dat hij er straks in zijn kamertje een geheime boodschap in zou kunnen ontdekken, als hij er maar genoeg van verzamelde. “Om half zeven sluit Oswald en we hebben nog geen vlees voor vanavond… kom, stap eens een beetje door, we hebben nog maar tien minuten.” Het jongetje bukte zich nu naar een platgetrapt geel foldertje, maar de wind griste het van voor zijn voeten weg en joeg het snel over het voetpad. Even keek hij het spijtig na, dan rende hij zijn moeder achterna de straat over.
Het begon harder te waaien en niet lang nadien vielen de eerste dikke druppels uit de lucht. De vrouw onderdrukte een vloek. Ze nam haar zoontje bij de pols en trok hem naar zich toe, terwijl ze in haar andere hand haar boodschappentas en handtas geklemd hield en een onwillige paraplu trachtte open te houden. “Doe je kap aan. We zijn er bijna.”
De slager was net bezig de droge hammen in de etalage af te dekken toen hij de vrouw op het glas van de deur hoorde tikken. Het was een zwijgzame man die heel goed wist dat een deel van zijn cliënteel eerder zijn flexibele openingsuren wist te waarderen dan zijn fijne vleeswaren.
“Op de valreep”, hijgde de vrouw opgelucht. “Mogen we nog drie braadworsten van u? En een tweehonderd grammen filet d’anvers. Goed verpakt, als u wil, want het regent nogal hard.” Onwillekeurig keek ze naar buiten, waar zich kleine plassen begonnen te vormen tussen de kasseien en nu en dan een auto met zwiepende ruitenwissers en opengesperde koplampen voorbij scheurde. Kleine Mingus drukte zijn handen tegen het koude vensterglas en fixeerde zijn ogen op twee regendruppels. Hij gokte dat de linkerdruppel het eerst beneden zou zijn.
Ergens halverwege stokte zijn blik. Precies achter de rechter regendruppel, aan de overkant van de straat, liep een vrouw op blote voeten over het voetpad. Ze droeg in elke hand wel vier volle plastic zakken, haar natte grijze haren plakten tegen haar verweerde hoofd en het leek alsof ze heel hard lachte, haar hele lichaam schudde mee.
“Och, kijk daar eens,” zei de vrouw tegen de slager, en tot haar zoon, “Niet zo staren, Mingus, die mevrouw kan er ook niets aan doen”. “Ah, zotte Yvette. Zo gek als een achterdeur”, zei de slager en tikte met een vette vinger tegen zijn hoofd. “Ze loopt hier al jaren zo rond, maar zelf is ze zich van geen kwaad bewust.” De man scheen een beetje op te leven nu hij een gespreksonderwerp kreeg toegespeeld dat het vlees en het weer oversteeg. “Ze beweert dat ze ooit eens bezoek gekregen heeft van buitenaardse wezens”, grinnikte hij, “en sindsdien voelt ze zich zo uitverkoren dat niets haar nog kan schelen, zelfs de regen niet! … Dat zal het zijn?”
Er liep een vrouw op straat met in elke hand een paar boodschappentassen. Ze keek gelukkig en genoot zichtbaar van de regen op haar haren en de plassen onder haar voeten. Even verderop stond een moeder met haar zoontje op de tram te wachten. De moeder verdiepte zich in het uurschema van de trams. Het jongetje volgde met grote belangstelling de grimassen op het vlekkerige gezicht van de vrouw, die behoedzaam haar plastic tassen op de grond liet zakken. Toen ze zijn oprechte nieuwsgierigheid opmerkte, haakte ze haar blik vast in de zijne en wenkte hem naderbij. Vragend draaide hij zich om naar zijn moeder, maar die stond te worstelen met de betaalautomaat. Hij liep onzeker op de vrouw toe. Ze hurkte omzichtig door haar benen – het was alsof ze boven een Frans toilet ging zitten - rommelde in haar tassen en haalde er voorzichtig een verfrommeld blaadje papier uit. Met haar vrije hand greep ze zijn arm vast. “Heb jij al eens een marsmannetje gezien?”, fluisterde ze. Het jongetje schudde met grote ogen van nee. “Ik wel.” Haar mond bewoog traag en nadrukkelijk. “Maar je weet toch wel dat zij jóu kunnen zien? Nee? Nou, dan moet je dit maar eens lezen.” Ze overhandigde hem samenzweerderig het vodje papier. “Maar ik kan nog niet goed lezen”, bracht de jongen bedremmeld uit. De vrouw keek hem ernstig aan. “Dan moet je het ergens verstoppen tot je oud en slim genoeg bent om het te begrijpen.”
Ze keek ineens op naar de moeder, die haastig en met een verontruste blik op haar zoon kwam afgestapt. “Mingus, kom bij mama. De tram komt zo. Mevrouw, valt u alstublieft geen andere mensen lastig met uw onzin, en zeker mijn kind niet.” De vrouw schudde vreemd lachend het hoofd, zwaaide naar het jongetje en ontfermde zich opnieuw over haar tassen.
“Je mag nooit iets aannemen van vreemde mensen, Mingus, hoe vaak moet ik het je nog zeggen. En wat heeft ze jou eigenlijk gegeven? Geef eens hier, nee, geef op, Mingus, verdorie, mama wordt kwaad nu. Laat los, en haal maar meteen al die andere vieze papiertjes uit je zakken ook… Kom, stap op.” Het jongetje ging mokkend naast zijn moeder in de tram zitten, en hij volharde in zijn stilzwijgen tot na het avondeten.
“Het is bedtijd, Mingus. Krijg ik nog een zoen?” “Nee!” Ze ging bij hem zitten en streek zijn haren glad. “Kleine kindjes zijn altijd blij met grote geheimen”, zei ze zacht. “Je vond het vast erg spannend dat die rare mevrouw je vandaag een briefje gaf, maar je begrijpt toch dat mama eerst wilde kijken of er geen stoute dingen in stonden? Er zijn mensen die héle boze dingen schrijven, en ik zou niet willen dat zoiets in jouw lieve handjes terecht komt.” Het jongetje hield zijn hoofd een beetje schuin.
“Maar wat stond er dan in die brief?” “Het was een hele vreemde brief, Mingus, een hele vreemde brief. Maar al bij al was hij zo gek nog niet.” “Toe mama, ga je hem voorlezen?” De vrouw keek naar haar echtgenoot, die glimlachend zijn schouders ophaalde. “Och vooruit, maar je zal er waarschijnlijk niet veel van begrijpen. Papa en ik begrijpen het ook niet helemaal.”
Ze trok de dekens goed, ging op de rand van het bed zitten en begon, nog altijd verbaasd over zijn merkwaardige inhoud, de brief voor te lezen. “Hm. Er staat: ‘Handleiding voor de verkenning van planeet Aarde, Deel 7, De Mens, 7.2 Noordelijk Halfrond, Europa’. Dat is de titel. En wat volgt lijkt op een fragment uit een wetenschappelijke studie over de mens. Er staat geen naam bij, dus weten we niet van wie het is. Maar het lijkt ons sterk dat die gekke mevrouw zoiets heeft kunnen schrijven.
Misschien hebben de marsmannetjes het wel gedaan…” Ze knipoogde.
“Nu goed, er staat – het is wel moeilijk hoor…
‘Wie een mensachtige op het spoor wil komen en wil verifiëren of het daadwerkelijk een mens betreft, neemt best volgende raadgevingen ter harte. Vertrek nooit zonder een voorraad voedsel en drank – er zijn mensensoorten die bekend staan om hun gastvrijheid en generositeit, maar de kans dat geen van hen je in hun midden verwelkomt en iets te eten of te drinken aanbiedt, is minstens zo reëel. Start je zoektocht in de zomer. Dat is het beste moment om naar mensen te speuren en hun gedrag te bestuderen. Ze verlaten dan vaker hun woonplaats, komen in groepen bijeen op ‘pleinen’ (grote open plekken in de stad) of zoeken waterplassen op om zich te verfrissen. Veel kans om mensen te spotten maak je aan openbare drinkplaatsen, zoals terrassen. Op echt warme dagen trek je het best naar het strand. Het is een bekend fenomeen dat enorme groepen mensen zich dan samen uitstrekken op het zand en er urenlang roerloos blijven liggen. Een boeiend schouwspel, al raden we de onderzoeker met klem aan zich zo discreet mogelijk op te stellen. Kom niet te dicht bij de mensen en raak ze zeker niet aan, dit kan agressief gedrag uitlokken.’”
Ze glimlachte geamuseerd. “Mingus, ben je nog mee…? Goed.
‘Een doorwinterde mensenjager heeft altijd een baksteen, een muntstuk en een klein geschenkje op zak. Dat komt zo. Het hol van de mens is gemaakt uit steen. Het laagste punt ervan bevindt zich enkele meters onder de grond, het hoogste punt kan tot metershoog boven de zeespiegel uittronen. Denkt u een mensenhol te hebben gevonden? Dan is het eenvoudig: u houdt ter controle gewoon even de steen bij de gevel. Is die van gelijkaardig materiaal, dan is het hol gemaakt door mensen. Slechts enkele onderzoekers zijn er tot op heden in geslaagd een mensenhol te bezoeken. Holen komen immers bijna alleen voor op duidelijk afgebakende terreinen, waar ze in grote concentraties naast, rondom en tegen elkaar aan worden opgetrokken. Tref je al een leeg hol aan, dan nog is de kans groot dat de omliggende holen wél bewoond zijn en dat je bezoek dus niet onopgemerkt blijft. In de winter zijn de holen trouwens zelden of nooit verlaten – het is dan te koud en te nat voor de mens om zich buiten te begeven. Denkt u een mens zelf te ontwaren? Dan moet u iets delicater te werk gaan. Probeer uit het zicht te blijven of, indien dit niet mogelijk is, elk oogcontact te vermijden. Laat achteloos en zogezegd onbedoeld een muntstuk vallen, het liefst op een goed zichtbare plaats op de grond. Stel u vervolgens verdoken op. Wordt de door u ontwaarde mensachtige door het geldstuk aangetrokken en raapt hij de munt op, dan is het een mens. Gevorderde mensenspotters die toenadering willen zoeken tot hun onderzoeksobject, kunnen op eigen aanvoelen een stapje verder gaan en de munt met uitgestrekte hand aan de mens aanbieden. Let erop nooit per abuis de steen aan te bieden in plaats van het muntstuk, dit wordt ervaren als een uitgesproken teken van agressie. Let ook: het gros van de mensen staat niet open voor contact. Een mens die zich ’s nachts of ’s avonds bij bar weer op straat bevindt, is het meest geschikt om te proberen benaderen. Hij bezit meestal geen eigen hol en moet bedelen voor voedsel of drank. Omdat hij uitgestoten is of zich afgezonderd heeft van zijn eigen groep, is hij paradoxaal genoeg vaak socialer dan mensen die in een hecht groepsverband samenleven. Bovendien is hij meestal alleen op pad. Breek het ijs met een geschenkje, vertel iets over jezelf en tracht in het belang van het onderzoek zoveel mogelijk informatie te verzamelen over zijn leefwereld. Bedank voor het gesprek met een omhelzing. Bezweer hem niets over jullie ontmoeting te vertellen aan andere mensen, ze zouden hem niet geloven. Hou …’ Mingus? Mingus…? Hij slaapt.”
Ze stond op, trok de gordijnen dicht en stapte voorzichtig de kamer uit. “Het regent nog steeds”, zei ze geeuwerig terwijl ze zich naast haar man in de zetel nestelde. “Poepie?” “Hmm?” “Is de voordeur al op slot?”
SARAH KEYMEULEN
