



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Ode aan de stedenbouwers
Bouwvakkers. Mannen die met hun handen steden bouwen, die neerkijken op zij die dat met lijnen op papier proberen te doen en lachen met degenen die denken dat ze het met letters kunnen. Mannen van mortel en steen die de hele straat inpalmen met hun stopkreten, hun werfradio en hun slecht geparkeerde vrachtwagens. Ze noemen je “manneke” of “schoon madammeke”. Dokwerkers zitten in hun haven, metaalarbeiders verlaten hun bedrijven alleen om te staken en truckers blijven ten allen tijde in hun truck. Bouwvakkers doorwoelen de stad, ze fluiten naar onze vrouwen en wijzen belerend naar hun polshorloge wanneer je pas om negen uur met je aktetas het huis verlaat. Zij hebben al twee brooddozen leeggegeten op dat uur. Hoog op hun stelling informeren ze lacherig hoe het met het vrouwtje gaat en of ze nu geen kou heeft, alleen in bed? Je kan niet anders dan ze negeren, naar de grond kijken en wegfietsen. Ze lachen met je tas en gniffelen omdat je fietst. Het is geleden van op de speelplaats dat iemand je met dit stekende gevoel opzadelde. ’s Middags in de werfkeet gaan blote vrouwen van papier van hand tot hand en ze vragen aan de “kleine”, want er is altijd een kleine bij, of hij dat al eens in zijn handen heeft gehad, zo een boezem? Het joch kijkt verlegen in zijn brooddoos. “Kijk nu toch eens hier kleine, ze zijn verdorie bijna groter dan uw hoofd. Jongen toch, mocht je daar met je neus tussen geraken je zou versmachten.” Ze lachen zo hard dat ze er van beginnen te vloeken. Godverdomme toch. Geen tien seconden later is het stil en staren ze voor zich uit. Minuten lang, geen mens die weet wat op hun schouders weegt maar het is iets triestig en het weegt als beton. Dan is de pauze voorbij en zuchtend staan ze recht om er terug aan te beginnen. De slijpschijven jagen het stof tot in hun ondergoed en als de zon niet genadeloos brandt, regent het en verdragen ze gebukt dat ze langzaam nat gepist worden vanuit de hemel. Want het is een klotejob, altijd buiten, en het enige wat de baas goed kan is commanderen en rondrijden in zijn auto. Ze mikken hun venijnige slijm, die mix van stof en regen en nicotine, op het trottoir. Ze gorgelen lang en rochelen luid. Ze halen het van zo diep op dat het zorgen zouden kunnen zijn die recht uit hun hart komen. In aloude werkmanstraditie worden de fluimen hooghartig vermorzeld door een met stalen zolen gepantserde voet. Brandende sigaretten worden zo genadeloos niet gedoofd.
Aan de kleine vragen ze of dit nu de job van zijn leven is? Of hij dit nu liever doet dan naar school gaan. Ze lachen onder elkaar, maar de kleine begrijpt de grap niet. Hij wil er alleen maar bijhoren, iets betekenen in de echte wereld, en de valse wereld van punten scharrelen en leerkrachten plezieren achter zich laten. Hij weet nog niets van het leven, van weemoed, van tegenslag en van wat het betekent om veertig jaar elke dag te gaan werken voor een baas. Hij verlangt naar de uitgelaten sfeer van vrijdagnamiddag, wanneer de mannen met hun dikke vingers van ondoordringbaar olifantenleer knijpen in de zachte billen van de cafébazin.
Elke vrijdag voert het mens in opperbeste stemming schaal na schaal bier aan. De oudere mannen prijzen haar om haar schone dikke billen, terwijl ze hun tanden tonen waarmee ze keien tot zand kunnen vermalen. Schaamteloos informeren ze naar haar naam, al blijven ze haar gewoon “bieken” en “zoeteken” noemen. Ze beloven samenzweerderig elke vrijdag bij haar pilsjes te komen drinken, zolang ze hier om de hoek werken tenminste. De jongere mannen hebben nog geen verstand van de vrouwen, maar het schaamteloze geflirt met de cafébazin laat hen zo hartelijk lachen dat hun askegels op de grond vallen. Tegen de tijd dat de getrouwde mannen naar huis zijn, wordt er misschien gedanst en daarna soms gevochten.
En later nog, terwijl jij alleen in bed ligt te grienen omdat je vriendin het aanlegt met je beste vriend, gaan zij langs bij de meisjes en laten zich kussen en verwennen tot het terug licht wordt.
Bouwvakkers, zij die onze steden bouwen, de laatste mannen.
TYRON VAN HEE
