Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

De politieke opdracht van Samenlevingsopbouw

De politieke opdracht van samenlevingsopbouw
foto: freddy Willems

Het opbouwwerk wil de emancipatie ondersteunen van mensen in kansarme wijken. Daarvoor tekende Samenlevingsopbouw een ‘grondrechtenboom’ uit die de aandacht moet vestigen op de sociale en politieke grondrechten van mensen en de noodzaak om deze rechten via sociale contestatie in de praktijk te brengen. Het politieke raamwerk van Samenlevingsopbouw kiest daarmee duidelijk voor de vertegenwoordiging van de buurt in het beleid. Een lezing van Pascal Debruyne naar aanleiding van de dag rond meerjarenplanning van Opbouwwerk Gent.

 

Beste opbouwwerkers, praktijkwerkers en vrienden,

 

Als jongere de zaal toespreken over de toekomst van Samenlevingsopbouw is geen sinecure. Ik heb vooral mijn eigen overtuiging en vooral reële bezorgdheden laten spreken als reactie op “de politieke opdracht” van het opbouwwerk; dit vanuit de oprechte overtuiging dat opbouwwerk bijdraagt –en moet blijven bijdragen- aan het onvervulde proces van sociale rechtvaardigheid in de stad. “De geschiedenis van het opbouwwerk is getekend door een permanente strijd over de legitimiteit van het beroep. Deze discussie wordt gedomineerd door de vraag wiens belangen de opbouwwerker dient: is hij of zij een neutrale intermediair, een vertegenwoordiger van de staat in de buurt of een vertegenwoordiger van de buurt in de staat? Alle mogelijke antwoorden op deze vraag zijn inmiddels uitgebreid verdedigd en aangevallen.” (Uitermark 2005) Ik gebruik deze prioritaire discussie, niet alleen omdat ze actueler is dan ooit, maar ook omdat net die actualiteit verscheurd is tussen de theoretische uitgangspunten en de bestaande praktijk die steeds bezet is door bestaande machten en krachten.

 

Het politieke raamwerk van Samenlevingsopbouw focust heel uitdrukkelijk op de laatste; namelijk de vertegenwoordiging van de buurt naar het beleid toe en de ongelijkheden aankaarten die ofwel de markt, het beleid of de ‘beleidsnetwerken’ (om toch even modern te zijn) voortbrengen en produceren, in stand houden en zelfs versterken. Woorden als emancipatie, sociale en/of politieke strijd om de vervulling van rechten, geven terecht –lees ik toch tussen de regels door- het kritische potentieel aan van Samenlevingsopbouw. De boutade dat ‘tussen droom en daad, wetten en praktische bezwaren staan’ en, vrijelijk aangevuld door mezelf, heel wat machtsbelangen staan, is hiermee zeker tussen de regels aanwezig. Er vloeit een bewustzijn voort uit de tekst dat grondrechten geproduceerd worden via sociale en politiek contestatie; en dus geenszins uit de lucht vallen. Iemand moet het opnemen voor deze vanzelfsprekende rechten, anders blijven ze dode letter. De opmaak van “de Grondrechtenboom” naar aanleiding van het Lokaal Sociaal Beleid (Gent) in 2007 sluit hier naadloos op aan; zowel qua visie als qua omgevingsanalyse.

 

Opbouwwerkers moeten voor de praktische realisatie van die sociale rechten, een deliberatieve publieke sfeer mogelijk maken. Deze publieke sfeer die gerealiseerd kan worden in de wijken, moet garantie bieden op ‘het vrijelijk spreken en handelen’ waarin mensen al sprekenderwijs en al handelend een identiteit als buurtbewoner ontwikkelen. Door te leren delibereren over zaken die van algemeen belang zijn, kunnen deze kwetsbare buurtbewoners hun sociale en ruimtelijke rechten in de praktijk zetten. Om het wat archaïsch te stellen met de filosoof Habermas: “In het onderscheid tussen enerzijds een systeemwereld van markt en overheid en anderzijds een leefwereld die steeds meer dreigde te worden gekoloniseerd door die ‘systeemkrachten’, kunnen de opbouwwerkers ofwel zelf kolonisten worden, ofwel positie kiezen tegen ‘het systeem’, bijvoorbeeld door zich met buurtbewoners sterk te maken tegen marktkrachten als projectontwikkelaars en investeerders, maar ook tegen huisjesmelkers en zelfs overheden die de wijken als producten met economische output bekijken.” (vrij naar: Uitermark 2005) Laat ik het daarbij houden als reactie op het theoretische luik van het politieke programma van Opbouwwerk. Samengevat: de politiek-emancipatorische doelstelling met de nadruk op het uitdrukkelijke ‘proces’ van rechten dat in de praktijk moeten worden gebracht, de strijd tegen een systeem dat ongelijkheid reproduceert en in de hand werkt, alsook het deliberatieve bewustzijn dat mensen een stem hebben in de wijk die hun politiek doorleefde arena vormt, klinkt bemoedigend en zelfs strijdvaardig. Het zou wat uit de tekstuele schaduw mogen treden van de tekst die nu voorligt.

 

Maar zoals ik al zei, met de woorden van Willem Elsschot “tussen droom en daad, staan wetten en praktische bezwaren”. Opbouwwerkers kunnen wel allerlei mooie ideeën hebben over het belang van een publiek maar dat betekent nog niet dat deze ideeën ook echt in de praktijk gestalte “KUNNEN” krijgen. In Gent behandel ik specifiek één concreet domein die de ideële uitgangspunten in de praktijk bijzonder zwaar belast: “De stadsvernieuwing” en “stadsvernieuwingsprojecten”. Niettegenstaande stadsvernieuwing kansen biedt voor de wijken, zijn er ook veel gevaren aan verbonden; die terug gaan op de bestaande machten en krachten in de stad. Dit beleidsdomein waarmee opbouwwerk dagelijks te maken krijgt, schetst zeer adequaat de problematische wederzijdse relaties tussen professioneel handelen, de bestuursstrategieën, de strijd voor de meest kwetsbaren in de wijk en transformaties van de lokale publieke sfeer in de laatste jaren. Ik geef twee langere samenhangende kritische bemerkingen: ten eerste de veranderde stedelijke (beleids-)context en ten tweede de veranderde relatie tussen overheid en middenveld. Ik eindig met drie conclusies die ingaan op de strategische ruimte die het opbouwwerk heeft in Gent.

 

1. Steden en wijken als ondernemende landschappen en investeringspolen

De tijd dat stedelijke moderniseringsoperaties een specifieke focus hadden op de meest kwetsbaren, is lang vervlogen. Sinds 2000 is er een nieuw stedenbeleid dat de SIF-operatie van 1995 in functie van de meest kwetsbaren, heeft omgebogen naar een stedenbeleid van stadsontwikkeling; versterkt via het Stedenfonds in 2003. (Maarten Loopmans 2007; De Decker ea. 2005) Stadslucht maakt vrij!, weerklinkt het. Maar zoals elkeen weet staat vrijheid als eindpunt soms haaks op vrijheid als proces; vooral wanneer vrijheid als eindpunt het beginsel vormt van stadsontwikkeling. Om dit onderscheid te begrijpen, moeten we naar de context kijken waarin steden zich bevinden. Steden bevinden zich steeds sterker in een omwenteling naar meer competitieve en ondernemende steden (Harvey). Zoals een Gentse schepen me dat ooit zei: gedaan met ‘radio deprimo’ en het bijbehorende miserabelisme. Steden moeten competitieve economische motoren worden die steeds autonomer functioneren. Grote “strategische stadsontwikkelingsprojecten” als de Oude Dokken, Gent Sint-Pieters, Flanders Expo, de ontwikkeling van de binnenstad…moeten in dit competitieve stadsmodel de ruimtelijke belichaming vormen van een stedelijke renaissance. Dat is de context waarin de hedendaagse mantra geldt: “Stadslucht maakt vrij!”. De stadslucht wordt echter een klassengegeven wanneer diegenen die vrijuit de stadslucht in- en uitademen prioritair dreigen te worden in vergelijking die mensen die buiten die competitieve wedren vallen. Voor die laatste groep is vrijheid een dagelijkse strijd, die samenhangt met de paradox van de stad. Aan de ene kant worden steden inderdaad gekenmerkt door hun emancipatorisch potentieel, vooruitgang en bevrijdende stadslucht. Aan de andere kant worden diezelfde steden helaas ook getekend door een verregaande dualiteit, exclusie en diepe kloof tussen have’s en have not’s! (Swyngedouw 2007)

 

Waar de angst voor het Blok eerst nog een terugkeer van te herverdelen middelen naar de wijk kon genereren na ’91 via SIF waar de nadruk lag op sociaal welzijn en armoedebestrijding, ligt de nadruk van overheden via het Stedenfonds nu op het terughalen van midden- en hogere inkomens via stadsontwikkeling en het verhogen van leefkwaliteit. Zoals Paul Van Grembergen zei in 1999 als Minister voor stedelijk beleid: “Stedenbeleid moet zorgen voor de ombuiging van de stadsvlucht door de levenskwaliteit en leefbaarheid in steden te verhogen voor jonge gezinnen, midden- en hoge inkomensgroepen en actieve senioren.” (Van Grembergen 1999) Ook zijn opvolger Marino Keulen zette een beleid door met de focus op krachten en potenties, in plaats van klachten en problemen. Al is er nog steeds aandacht voor het tegengaan van sociale dualisering, alsook aandacht voor de kwetsbare groepen via andere programma’s of beleidsdomeinen, toch is zowel het gemiddelde budget voor de meest kwetsbare groepen gedaald (60% nr. 30%), alsook de aanpak van dualisering is veranderd (Loopmans 2007). Wijkontwikkeling en sociale stadsvernieuwing voor de kwetsbare groepen verschoof sterker naar Stadsontwikkeling. “Het accent verschoof van het ‘bouwen voor de buurt’ en buurtgerichte ontwikkeling voor de zittende bevolking, naar het bouwen voor groepen die juist nog niet in die wijken vertegenwoordigd waren: midden- en hogere inkomens.” (Uitermark 2005) Niettegenstaande die middeninkomens overigens welkom zijn voor mij, laat ik in het midden of dit de prioriteit moet zijn van stedelijke en regionale overheden.

 

Toegegeven: mijn gevoeligheid voor esthetiek kriebelt bij het zien van Rem Koolhaas’ontwerp voor de Oude Dokken in vergelijking met het weemoedige beeld van de weggetrokken industrie hier aan de haven. Enkel een geromantiseerde nostalgische blik kan de laatste bevoordelen. Toch rest de vraag wat het effect is van die institutionele en discursieve beleidsomwenteling? De overheid is hierdoor -naar mijn bescheiden mening- selectiever geworden voor signalen uit achterstandswijken. “Het is helemaal niet zo dat de overheid helemaal geen oog meer heeft voor armoede of door opbouwwerkers gesteund buurtprotest, maar de relevantie en het effect daarvan zijn sterk afgenomen. De wederzijdse afhankelijkheid tussen (arme) buurtbewoners en (sociaal-democratische) bestuurders werd aangetast op het moment dat midden- en hogere inkomens door welhaast het gehele politieke spectrum beschouwd gingen worden als redders van de stad.” (Uitermark 2005) Bovendien verschuift niet alleen de focus inzake groepen, maar ontstaat een ontkoppeling daardoor tussen stedelijk beleid en sociale neveneffecten.

 

Dat Gent als stad steeds een sociale dimensie en bekommernis behoudt, in tegenstelling tot andere West-Europese en zelfs andere Vlaamse steden waar City-marketing, economische ontwikkeling en een verscherpt veiligheidsdenken zelfs dé voornaamste prioriteit lijken, kan ik alleen maar toejuichen. Gent is blijkbaar de enige stad waar budgetten voor de meest kwetsbare groepen stegen. (Loopmans 2007) Ook maatregelen zoals de verplichting 20% sociale woningen te bouwen, een verbod op afgesloten gemeenschappen (Gated Communities) en de strijd tegen huisjesmelkerij tonen de genuanceerde context aan van Gent als stad. Een aanvullende noot hierbij: daar lokale overheden gemiddeld voor 47,5% afhankelijk zijn van lokale belastingsinning (Loopmans 2007), is het zelfs enigszins begrijpelijk dat de focus op midden-en hoge inkomens komt te liggen. Toch blijft de vraag of deze verschuiving, het momentaan schijnbaar evenwicht tussen sociale en economische ontwikkeling- als dat er tenminste al is-, constant zal blijven. Ook in Gent zijn tendensen van de economische competitiestad doorgebroken, met bijbehorende onafwendbare verdringende effecten. De nieuwe Missie 2020 die werd opgemaakt als strategisch plan naar aanleiding van de verplichtingen voor het nieuwe gemeentedecreet, verwijzen duidelijk naar de toekomstige ontwikkeling van een post-industrieel stadsmodel. Hierbij staan kennis en creatie, gebaseerd op de ideeën van Richard Florida, centraal. De Creatieve of Scheppende stad die bij de model van de creatieve klasse aansluit, legt de nadruk op kennis en- innovatief gerichte competitie. Wanneer ik daarenboven de nieuwe (voorlopige) nota voor het Stedenfonds 2008-2013 lees, die aansluit op de strategische missie ‘De scheppende stad’, en daarbij de vaagheid van strategische doelstelling 1 rond leefbare wijken en het verbeteren van de identiteit van de wijk, vergelijk met de specificiteit van strategische doelstelling 2 om van Gent één van de meest competitieve kennissteden te maken, zijn vraagtekens meer dan correct. Vergeleken met de beleidsovereenkomst stedenbeleid tussen Vlaanderen en Gent voor de periode 2003-2007, is het opvallende in deze nieuwe nota vooral de nieuwe expliciete nadruk op de economische concurrentiepositie van Gent. Het is niet omdat je retorisch “een holistisch “en-en-verhaal” brengt, dat daarmee tegengestelde belangen zijn opgelost.

 

2. De slagkracht van het middenveld versus de machtstoename van marktactoren in het meerschalige beleidsarrangement van het stedenbeleid.

Niet alleen is de stedelijke context veranderd, ook de relatie tussen overheid en civiele maatschappij is gewijzigd. Onder Civiele Maatschappij begrijp ik het middenveld en marktactoren. Marktactoren hebben aan invloed gewonnen, doordat ze zelf economische sterker zijn geworden of door de toegang tot politieke en economische regulatie die de overheid zelf heeft uitgebouwd. Niet alleen marktactoren, maar ook semi-publieke diensten als stadsbedrijven moeten de efficiënte van het stadsbeleid verhogen. Deze stadsbedrijven verhogen geenszins het democratisch potentieel, daar stadsbedrijven zoals het AGSOB tot nu toe -dixit het hoofd van de ruimtelijke planning in Gent-, “functioneerden in het voordeel van private marktactoren”. Niettegenstaande de democratische newsspeak over “governance” en netwerksturing, kan de vraag gesteld worden of deze governance-tendens niet veeleer in het voordeel werkt van reeds krachtige actoren, en in het nadeel van diegenen met een kwetsbare stem. Verschillende ruimtelijke processen zoals “strategische projecten” (type: de Oude Dokken, Gent Sint Pieters en Flanders Expo) bevatten wel inspraak en participatie, maar wat als die netwerksturing of governance de machtsongelijkheid tussen de verschillende actoren in dat participatieproces lijkt te miskennen? Natuurlijk hoeft dit theoretisch niet zo te zijn, maar de praktijk toont toch veelal aan dat terwijl planners, economische actoren zoals investeerders, quasi-publieke actoren en overheden de knopen reeds doorhakten, het publiek achter blijft in de uitvoerende fase om de bloembakken te plannen of in klankbordgroepen zonder machtsrelevantie kritiek te geven binnen de contouren van het “haalbare”.

 

Het middenveld is in tegenstelling tot de marktactoren niet sterker geworden- dat is alvast mijn indruk. Allerlei nieuwe financiële en contractuele afhankelijkheidsmechanismen (convenanten, projectsubsidies, subsidiegever op hetzelfde lokale niveau als de organisatie die subsidies ontvangt…) duwen het middenveld in een moeilijke rol. Hiermee wil ik geenszins de indruk wekken dat vroeger alles beter was, maar minstens de verandering van positie aankaarten, alsook de veranderde context van stadsontwikkeling aankaarten. Toegegeven: strategische stadsontwikkelingsprojecten zijn niet hetzelfde als sociale stadsvernieuwing in het Rabot en de Brugse Poort in de vorige legislatuur en Ledeberg en Sint-Amandsberg in deze legislatuur. Alhoewel deze projecten de aandacht meer dan terecht vestigen op de 19de eeuwse gordel en de schijnbaar onmetelijke huisvestingsproblematiek in die buurten, toch zijn ze alleen maar een aanzet tot…We moeten als middenveld méér eisen, want ondanks de geïntegreerdheid van projecten zoals de Brugse Poort, ondanks de herontwikkeling van oude sites als publieke ruimte in het Rabot en ondanks de meer dan ooit noodzakelijke bouwblokrenovatie in Sint-Amandsberg, weet elkeen dat de weegschaal stilaan doorbuigt in de richting van stadsontwikkeling ten nadele van de prioritaire focus op sociale stadsvernieuwing. Dat gevoel van onrechtvaardigheid deelt menig persoon in de zaal met mij.

 

Ik eindig met een drietal conclusies:

· Het lokale wijkniveau alleen kan ten eerste geen afdoend antwoord bieden voor de problemen in wijken. De wijk die niet met andere schaalniveaus verbonden wordt, vormt een “Local Trap” (Purcell 2005). Het beleid dichter bij de mensen brengen, in de wijken bijvoorbeeld, staat niet automatisch garant voor meer democratie. De problematiek moet opwaarts gebracht worden naar hogere schaalniveaus zoals de regionale Vlaamse schaal. De verschillende schaalniveaus en beleidsactoren moeten in een meerschalige beleidsconstellatie hun verantwoordelijkheid nemen. Sterke signalen zijn daarvoor nodig naar de stedelijke overheid en naar de Vlaamse regering om meer aandacht te besteden aan het sociale luik van stadsvernieuwing. Vlaanderen mag zijn steden financieel niet laten zitten. Misschien is het ook eindelijk eens tijd voor een debat over stadsregio’s zodat een bredere herverdeling kan worden opgezet tussen de steden en hun hinterland, zodat steden niet alleen meer moeten terugvallen op middenklassestrategieën om de stadsvlucht om te keren en de neveneffecten van hun centrumfunctie op te vangen. Niet alleen de noodzaak scherp te zijn naar andere schaalniveaus, maar ook het vormen van brede coalities genre stadsalliantie overheen verschillende genetwerkte actoren die betrokken zijn op het sociaal en stedelijk beleid lijkt meer dan ooit nodig.

· Dit brengt mij meteen bij mijn tweede punt over het Lokaal Sociaal Beleid. Op 3 maart 2004 keurde het Vlaams Parlement het Decreet betreffende het Lokaal Sociaal Beleid goed. Dit decreet wordt nu geïmplementeerd door de Stad Gent en het OCMW voor de periode 2008-2013. Misschien kan de koppeling van het Stedenbeleid met het Lokaal Sociaal Beleid (Strategische doelstelling 3 uit de stedenfondsnota “De Scheppende Stad”) een antwoord zijn op de voorgaande loskoppeling van prioritaire sociale doelstellingen bij de overgang van SIF naar het Stedenfonds. De bevraging die Samenlevingsopbouw deed voor de opmaak van de grondrechtenboom, die via de omgevingsanalyse de enorme sociale noden aantoont van kwetsbare burgers, kan ook dienen als mobilisatiemiddel voor zo’n stadsalliantie voorbij de huidige verkokering. Waar de overgang van SIF naar Stedenfonds in faalde, namelijk de prioritaire focus op kwetsbare groepen, kan deze koppeling tussen Lokaal Sociaal Beleid en het Stedenfonds misschien wel in slagen. En toch….? Ondanks het feit dat Gent zich in het Lokaal Sociaal Beleidsplan nogmaals als “Scheppende Stad” wil profileren, toont de omgevingsanalyse waarop dit Lokaal Sociaal Beleid in Gent gebaseerd is tegelijkertijd de paradox van dit beleid aan. Ondanks twee paarse legislaturen is deze omgevingsanalyse ronduit beschamend. Niet alleen de toenemende armoede en dualisering, tussen alle chaos en vaagheid van cijfers, vallen op. Ook wordt nergens echt duidelijk hoe het nu zit met de meest kwetsbare groepen en ontbreekt elke ruimtelijke notie van “waar” deze armoede zich bevindt. Het antwoord, beste opbouwwerkers, zal u vinden in de wijken waar u dagelijks werkzaam bent. Het zal geen troost behoeven dat sociale cohesie, ondanks het vurige pleidooi van de Gentse Schepen van Sociale Zaken om u vooral met de softe cohesie als opbouwwerkers bezig te houden en niet met de hardware-voorzieningen, hierop geen antwoord biedt. Samenlevingsopbouw zal moeten waken over de implementatie van haar eigen grondrechtenboom in Gent.

· Ten derde: Prioritair is naast de goede bedoelingen, de noodzaak aan een hardere reactie tégen sociale onrechtvaardigheid en tegen het onevenwicht tussen grootschalige stadsontwikkeling voor middengroepen en sociale stadsvernieuwing voor de kwetsbare bewoners in de wijken. Hiervoor zullen actoren uit het middenveld zélf politieker moeten handelen. Theoretisch is een “en-en-verhaal” genuanceerd en mooi om zeggen, maar de praktijk is bezet door ongelijkheid, waarin een verhoogde aandacht voor de sterkere groepen, een bedreiging kan vormen (alleen al door de schaarste van middelen en de noodzakelijke prioriteiten) voor de meer kwetsbare groepen. Ja, we moeten voorbij de verkokering met het ruimtelijke en sociale beleid! Nee, wanneer dit als excuus gebruikt wordt om de prioritaire aandacht op de meest kwetsbare groepen te negeren. “Is er nog plaats voor armoedebestrijding in het nieuwe Lokaal Sociaal Beleid” vroeg Van Menxel zich in het jaarboek armoede en sociale uitsluiting van 2002 af…? Het antwoord kan duidelijk “ja” zijn wanneer dit sociaal beleid ten eerste gekoppeld wordt aan ruimtelijk en stedelijk beleid, en wanneer het ten tweede zijn prioritaire focus legt op de meest kwetsbare groepen in de wijken van Gent.

 

Beste opbouwwerkers en vrienden,

Dit is geen boude kritiek. Het is meer dan ooit de taak van een kritisch middenveld, waarin opbouwwerk naar mijn persoonlijke mening nog steeds één van de meest belangrijke actoren is, om kritisch naar zichzelf en zijn machtspotentieel te kijken. De evaluatie moet zeker gaan over het intellect, visievorming en over de politieke analyse- daar ben ik meer dan ooit van overtuigd- maar onvermijdelijk ook over de concrete marges van het strategisch handelen in de wijken en over de marges van het beleid vandaag de dag. Ik eindig met enkele regels die de fotograaf Stefan Van Fleteren (de Morgen) neerpende op zijn tentoonstelling in Antwerpen. “Ik word triest van dat neurotisch gedoe, van snel vooruit gaan en drastische verandering. Onze economie gelijkt op een Canadese populier die maar blijft groeien tot hij zo hoog is en door zijn gewicht bij de eerste storm afknakt. Jammer dat onze wereld niet soms meer gelijkt op een oude eik of een treurwilg. Ik herinner me als scholier in een streng college het moment dat de geschiedenisleraar vooraan in de klas de woorden uitsprak: “Wie kan er nu iets tegen vooruitgang hebben?”. Ik wilde nog mijn hand opsteken om wat tegen te sputteren, maar ik durfde niet. Nu wel! ”.

 

Dank u voor het luisteren.

 

Een ingekorte versie van deze tekst verscheen in TiensTiens 12, dit is de volledige versie. Hij werd naar voor gebracht door Pascal Debruyne van VZW RADAR/TiensTiens als reactie op de politieke opdracht van het opbouwwerk/Samenlevingsopbouw Gent. Er werd naar aanleiding van de meerjarenplanning gevraagd een kritische analyse te brengen van deze politieke opdracht. Deze reactie werd niet alleen verbonden aan de voorgelegde visietekst van Samenlevingsopbouw die werd voorgesteld, maar ook aan de bredere analyse van het sociaal en ruimtelijk beleid. In de analyse werden het Lokaal Sociaal Beleid Gent, waarvoor Samenlevingsopbouw een brede bevraging deed van kwetsbare doelgroepen over hun grondrechten (- en als resultaat tot een “grondrechtenboom” kwam), en het Stedenfonds opgenomen waarvoor opbouwwerk al langer de participatieve processen opzet bij stadsvernieuwing in de wijken. De analyse werd zeer positief onthaald bij Samenlevingsopbouw en bij andere aanwezige actoren.