



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Voor wie werkt het stedelijk beleid?
Justus Uitermark over middenklassers, buurtbewoners en krakers
Justus Uitermark doctoreert aan de Amsterdam School of Social Sciences op een onderzoeksproject rond de ontevredenheid over multiculturalisme in Nederland. Daarnaast interesseert deze veelzijdige onderzoeker zich in sociale bewegingen zoals de Amsterdamse krakers en is hij geboeid door het stedelijk beleid en stedelijke samenlevingsvormen. TiensTiens trok naar Amsterdam voor een gesprek met deze nieuwe stem in het debat over stedelijkheid.
> Je woont in Amsterdam. Hoe zou je Amsterdam als stad omschrijven?
Uitermark: “Susan Fainstein, een vooraanstaande Amerikaanse professor Stadsplanning, noemt Amsterdam vaak een voorbeeld van ‘de rechtvaardige stad’ door te verwijzen naar het sterke overheidsingrijpen, de stevige traditie van sociale bewegingen en de compacte planning die van Amsterdam een stad op mensenmaat maakt. New York is in die visie een voorbeeld van het omgekeerde. Maar Fainstein verbleef in Amsterdam in 1977, toen de kraakbeweging op haar hoogtepunt was en de nieuwe groepen die de stad ontdekten nog niet kapitaalkrachtig genoeg waren om die naar hun hand te zetten.
Nu is de Amsterdamse Nieuwmarkt niet langer het kosmopolitisch laboratorium dat Fainstein prijst, maar een sterk gesurveilleerde en gecontroleerde ruimte. Sociale woningen worden verkocht en de sociale bewegingen zijn in elkaar gezakt. Fainstein vergeet dat wat Amsterdam tot een progressieve stad maakte de verworvenheden van een lange en harde sociale strijd waren. Inmiddels zijn de machtsverhoudingen gekanteld onder invloed van een om zich heen grijpende neoliberalisering. De stad probeert haar progressieve imago van een diverse, warme en egalitaire stad hoog te houden , maar de ‘prettige diversiteit’ is steeds meer een opgelapt beeld van de werkelijkheid.”
> In een vergelijkend onderzoek naar het stedenbeleid in België en Nederland beweerde je dat België tot 1991, buiten een aantal kleinschalige stadsvernieuwingsprojecten, geen echt stedenbeleid kende.
“België heeft een sterke antistedelijke traditie, die vooral gedragen wordt door de machtige katholieke zuil. Katholieken zagen de steden vooral als brandhaarden van socialistisch verzet en moreel verval Hun machtsbasis bevond zich vooral in de kleine gemeenten en hun politieke strategieën waren er dan ook op gericht de mensen daar zoveel mogelijk te houden. Een fijnmazig netwerk van buurtspoorwegen en een uitgebreid systeem van financiële stimulansen bij eigendomsverwerving moesten de banden tussen mensen, hun familie en de lokale gemeenschap verstevigen. Samen met de hoge grondprijzen in de stad en de grootschalige subsidiëring van infrastructuur bevorderde men op die manier de woningbouw in de landelijke gebieden. Die machtsbasis werd verder versterkt door het sterk gefragmenteerde bestuurlijke landschap met veel kleine gemeenten en kiesdistricten, die een relatief groot electoraal gewicht hadden.
Tegenover deze katholieke rurale macht stonden relatief zwakke en politiek verdeelde steden. De opkomst van ‘Fordistische’ consumptiepatronen, gericht op het verwerven van een eigen wagen en een huis, leidden ertoe dat wie welvarend genoeg was de stad ontvluchtte en in landelijk gebied ging wonen. In Nederland leefde die suburbane droom veel minder. Nederland heeft sinds mensenheugenis een sterke ruimtelijke ordening. Politici hielden weinig rekening met de woonwensen van de bevolking, maar bepaalden zelf waar woonuitbreiding kon plaatsvinden.
> Hoe komt het dat begin de jaren ‘90 dan toch een stedenbeleid ontstond in België?
“Sociale wetenschappers koppelen de opkomst van het Vlaams Blok aan de kansarmoede in stedelijke achterstandswijken. Marc Swyngedouw bijvoorbeeld stelde vast dat het Blok zijn electorale opmars vooral te danken had aan kiezers in stedelijke gebieden en achterstandswijken, waar een sterke afkeer tegen migranten leefde. Het Vlaams Blok wil de stadsvlucht keren door investeringen in veiligheid. Daarmee onderschrijft het de lange Vlaamse antistedelijke traditie. Steden zijn vies, vreemd en gevaarlijk. De aanwezigheid van buitenlandse migranten in stedelijke buurten vormt het nieuwe brandpunt van deze diepgewortelde antizedelijkheid.
Deze analyse, door het Vlaams Blok gelokaliseerd als een probleem van stedelijke achterbuurten, werd door een coalitie van welzijns- en kansarmenorganisaties aangegrepen om hun agenda door te drukken met de publicatie van het Algemeen Verslag van de Armoede in 1994. De stedelijke armen waren decennialang niet van tel geweest voor de federale en gewestelijke overheden, maar nu hun problemen de nationale en gewestelijke politiek begonnen te ondermijnen werden de stedelijke achterbuurten ineens wel relevant. De verwaarlozing van de steden werd zo gedeeltelijk doorbroken.
Via lokale dialoog zou men samen de schrijnende armoede in achtergestelde stadswijken aanpakken. Die lokale participatie leidde wel eens tot racistische uitspraken, maar vreemdelingenhaat krijgt een ondergeschikte positie in het rapport en wordt afgeschilderd als een afgeleide van de marginaliteit van de betrokkenen.”
> Heeft deze plotse politieke aandacht voor de achterstandswijken de kansarmen eigenlijk veel opgeleverd?
“Nauwelijks, het ging uiteindelijk om het ‘insluiten’ van die bevolkingsgroepen opdat ze niet langer extreemrechts zouden stemmen. Maar insluiting is niet hetzelfde als sociaal beleid. Slechts geleidelijk aan verschoof de focus van kansarmoede naar stadsontwikkeling.
Het Sociaal Impulsfonds (SIF), het koninginnenstuk van het nieuwe stedelijke beleid, droeg een onuitgesproken spanning in zich: was het een instrument voor een stedelijk of voor een sociaal beleid? In de beleidsbrief van bevoegd minister Peeters werd de stedelijke problematiek gezien als het resultaat van de concentratie van kansarmoede in binnenstedelijke gebieden ten gevolge van stadsvlucht. De beleidsbrief schoof onder meer een betere sociale mix naar voor als oplossing.
Het SIF bood steden een nieuw kanaal om hun belangen te verdedigen. Steden brachten daarbij vooral fiscale achterstelling en stadsvlucht als belangrijke problemen aan.
De harde sectoren van hun kant argumenteerden dat het SIF domeinen zoals economie teveel miskende. Het bevorderen van de economische ontwikkeling en het verhogen van de leefbaarheid in steden was echter niet zozeer gericht op het bestrijden van kansarmoede, maar vooral op het vervangen van kansarmen door meer kapitaalkrachtige groepen. Steeds meer verlegde de focus van het beleid zich van het stimuleren van een meer evenwichtige stadsontwikkeling naar het beheersbaar maken van de ongelijke ontwikkeling van de stad.
Kansarmoede was dus geen probleem zolang men de kansarmen kon inkapselen in een beheersstructuur die hen weghield van het Vlaams Blok. De strategie ten tijde van het Algemeen Verslag van de Armoede, waarbij armenorganisaties en armen coalities smeedden om politieke druk uit te oefenen op nationaal en gewestelijk niveau, werd omgebogen naar participatie van armen op buurtniveau in weinig belangwekkende politieke discussies. Claims voor universele burgerrechten werden ingeruild voor een surrogaatburgerschap op wijkniveau. De conclusie? Het stedelijk beleid in Vlaanderen had in de jaren ’90 meer te maken met de dreiging die uitging van achterstandswijken dan met de achterstand zelf.”
> Enerzijds laat je je positief uit over de lokale coalitie tussen welzijnsorganisaties en kansarmen, anderzijds bestempel je de institutionalisering van burgerschapsrechten op lokaal niveau als surrogaatburgerschap. Heeft het lokale niveau dan geen emancipatorisch potentieel?
“Enkel als er macht en ideeën zitten. Die waren er begin de jaren ‘90 in de coalitie van welzijnswerkers en kansarmen. Het stimuleren van lokale burgerparticipatie leidt niet per definitie tot quasi-burgerschap, maar in dit geval was het wel zo, omdat dit beleid ingegeven werd door besognes van het nationale politieke bestel. Nogmaals, de nationale politiek had interesse in stedelijke achterstandswijken omdat ze een voedingsbodem vormden voor extreemrechtse sentimenten, niet omdat ze de achterstand op zich wilde wegwerken.”
> Ga je, als je zo op het lokale niveau focust, niet voorbij aan de economische processen die steden met elkaar in competitie brengen?
“De preferentiële schaal waarop je je als activist richt, hangt af van de politieke machtsconfiguraties waarbinnen een bepaalde strijd plaatsvindt. Dit interview bijvoorbeeld vindt plaats in ‘t Blijvertje, een buurtcentrum in een Amsterdamse wijk waarin nogal wat sociale woningen door sloop bedreigd worden. Het is belangrijk dat we ons hier op lokaal niveau organiseren omdat dan niet alleen de quasi-professionele activisten betrokken zijn, maar ook de bewoners zelf. De lokale politieke partijen geven nu wel schoorvoetend toe dat de sociale woningen niet moeten verdwijnen, maar kunnen daar door convenanten met de stedelijke en nationale overheid ‘niet meer onderuit’. Dat is het moment waarop je een tegenspraak in het nationale beleid kunt gaan aankaarten. De nationale overheid houdt geen rekening met eisen die tegen eerder gemaakte plannen ingaan.
Het opbouwen van creatieve participatievormen op lokaal niveau is erg belangrijk om het cultureel en sociaal kapitaal van de buurt te bevorderen. Mensen zijn niet gewend aan vergaderingen, ouderen kunnen niet met computers overweg en de complexe realiteit van het beleid staat heel ver af van wat mensen hier beleven. Door organisatie zorg je ervoor dat mensen sociaal en cultureel kapitaal kunnen verwerven dat hun gebrek aan economisch kapitaal enigszins compenseert.
Opbouwwerkers zouden daarbij een belangrijke rol kunnen spelen, maar mensen bij elkaar brengen is voor het opbouwwerk een doel op zich geworden. En zelfs dat is moeilijk geworden, omwille van de etnische diversiteit en het ontbreken van een band met de wijk bij steeds meer mensen. Bovendien loopt de financiering van opbouwwerk steeds meer via projecten, waarbij opbouwwerkers gedwongen worden om meetbare resultaten af te leveren.”
> Je vergeleek de evoluties in Amerikaanse en Europese steden en kwam tot het besluit dat aan beide kanten van de oceaan ‘revanchistische’ steden opkomen. Wat bedoel je daarmee? en is er een link met het bekende fenomeen van ‘gentrificatie’?
“Alle steden proberen op dit moment om (kapitaalkrachtige) middengroepen aan te trekken en aan zich te binden. De stad wordt dan ook herdacht en heringericht om dit doel te bereiken. Bij sommige groepen in de stad leeft daarom het idee dat de stad van hen is afgepakt. Revanchisme verwijst naar de wraakgerichte strategieën die deze groepen ontwikkelen om hun stad ‘terug te winnen’.
Gentrificatie is de klassentransformatie van een stad. Meestal wordt gentrificatie gezien als het hertekenen van stadswijken voor de middenklasse met het oog op het bevorderen van de ‘leefbaarheid’. Ik vind het belangrijk een onderscheid te maken tussen goede en minder goede vormen van gentrificatie, afhankelijk van de mate van verdringing van zwakkere sociaal-economische groepen. De middenklassen moeten immers ook hun plaats krijgen in de stad”.
> Het multiculturele samenlevingsmodel kwam de laatste jaren, onder meer na de moord op Pim Fortuyn, sterk onder druk te staan. Heeft dit model nog een toekomst?
“Er is nooit een echt multicultureel beleid geweest. Er was wel een minderhedenbeleid dat moest voorkomen dat mensen, en dan vooral armen, zichzelf als een minderheid zouden beschouwen. Dit beleid werd later teruggeschroefd en bekritiseerd. Integratie werd niet langer gezien als collectieve emancipatie, maar als een individuele aangelegenheid.
Pas rond 2000 kwam er kritiek op het multiculturalisme, maar het is net dankzij de huidige obsessie met moslims dat het multiculturele model in het leven is geroepen. Moslims worden nu overal in overlegorganen gestoken.
Het huidige Nederlandse debat dwingt mensen ofwel voor of tegen moslims te zijn. Ik probeer aan die tegenstelling te ontsnappen door mee te werken aan mobilisatie rond andere identiteiten. Momenteel werk ik vooral met bewonersgroepen. Door de gedeelde identiteit als bewoner centraal te stellen, wordt het eenvoudiger om de grote verscheidenheid in een buurt een plek te geven. Doordat het debat gevangen zit in de tegenstelling tussen moslims en niet-moslims komen veel andere problemen niet aan bod. Bijvoorbeeld de vraag of corporaties winstbelasting zouden moeten betalen. Als dat zou gebeuren, zouden de corporaties definitief hun sociale functie verliezen. In plaats van me al te zeer te positioneren in het debat over multiculturalisme en de Islam probeer ik aandacht te vragen voor dat soort onderbelichte kwesties.”
> David Harvey schrijft dat het kapitalisme nood heeft aan een voortdurende instroom van nieuwe ideeën en cultuuruitingen en dat net die noodzaak ruimte creëert voor utopisch of transformatief denken. Was de Amsterdamse krakerbeweging een voorbeeld van deze strategie van de ‘creatieve stad’?
“In de jaren ‘70 kwam je enkel als echtpaar in aanmerking voor een sociale woning. Het afscheid van traditionele familievormen leidde tot een groeiende vraag naar woningen die niet opgevangen werd. Via de kraakbeweging werd dat inderdaad een publiek en politiek probleem. De kraakspreekuren, waarbij potentiële krakers op weg geholpen werden door een hele groep mensen die mee mobiliseerden en hielpen kraken, speelden hierbij een belangrijke rol. De ‘creatieve stad’ waarbij cultuur en creativiteit de motor vormen voor stedelijke economische ontwikkeling, heeft inderdaad nood aan subculturen.
In Amsterdam is met het zogenaamde ‘broedplaatsenbeleid’ geprobeerd om een aantal artistieke kraakpanden op te nemen in de strategieën voor een creatieve stad. Dergelijke kraakpanden kregen ineens de mogelijkheid om gelegaliseerd te worden. Dat leidde echter tot verzet, omdat deze panden zich moesten presenteren als broedplaatsen in plaats van vrijplaatsen. Op een gegeven moment raakte het geld voor het broedplaatsenbeleid op en verschoof de aandacht naar andere groepen. Er zijn heel veel kunstenaars die zich zonder enige reserve laten coöpteren, dus de krakers waren niet langer een interessante partner voor de overheid.
Veel krakers hebben het idee om bredere coalities te vormen intussen opgegeven en sturen niet langer aan op breed gedragen acties. Een kraakverbod waarover nu gesproken wordt zou echter dramatische gevolgen hebben. Sommige kraakspreekuren spelen nog altijd een heel belangrijke rol bij het organiseren van de bewoners. Het is de vraag of deze stroming vandaag nog sterk genoeg is om de druk van buitenaf en de erosie van binnenuit te weerstaan. Ik hoop dat de commercialisering van de woningmarkt verzet oproept bij mensen die de stedelijke ontwikkeling niet aan de markt willen overlaten.”
Op de persoonlijke webstek van Justus Uitermark kan je al zijn publicaties gratis downloaden. Surf naar www.justusuitermark.nl
