Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

"Ik ben bang." Albanese asielzoeker op de vlucht voor bloedwraak.

Wat zou u doen als een groep mensen zich plots het recht toe-eigent u te vermoorden? Niet ondenkbeeldig dat u de benen neemt, net als de Albanees Sali Podrimja. Sinds een familielid tien jaar terug van moord werd beticht, hangt de waanzinnige ‘traditie’ van bloedwraak als een zwaard van Damocles boven het hoofd van Sali. Via mensensmokkelaars kwam hij in september 2000 met zijn gezin in Gent terecht. Voor de familie Podrimja is onveiligheid meer dan een gevoel.

 

“Als jij je huis binnen de drie dagen niet verlaat, dan verbranden we je in je huis omdat bloed met bloed moet betaald worden”. Toonloos vertaalt Sali Podrimja (32) de woorden van het Albanees naar het Nederlands. Voor ons ligt een verfrommeld papiertje waarop hoekige handgeschreven woorden en zinnen zich tot een gruwelijke boodschap verzamelen. Het papiertje stak in de laatste brief die Sali’s vader vanuit Albanië naar België stuurde. Op 18 februari 2005 vond vader Podrimja het vodje aan de deur van zijn woonst gespijkerd. Hij wachtte angstig af …en stierf enkele maanden later een natuurlijke dood.

Het overlijden van zijn vader laat Sali met een dubbel gevoel achter. “Ik ben blij dat mijn vader een natuurlijke dood gestorven is, maar ben bang omdat dit de lijdensweg van mijn familie niet stopt. Ik kan pas terug naar Albanië als iemand van ons vermoord wordt”. Sali’s vader was als laatste mannelijke familielid achtergebleven. Te oud voor de vlucht, voldoende jong voor de opoffering. Alle andere mannen van de familie Podrimja zijn gevlucht voor de Kanun of de bloedwraak, die sinds het einde van de stalinistische dictatuur terug welig tiert in het noorden van Albanië.

Bloedwraak is een vorm van stammenrechtspraak waarin de familie van een vermoord persoon het recht heeft die te wreken op iemand van de ‘vijandige’ familie. In veel gemeenschappen wordt gedacht dat de overledene geen rust zal kennen totdat hij gewroken is. Als de dode niet wordt gewroken verliest de getroffen familie haar maatschappelijke eer.

Sali heet in werkelijkheid X en betrekt samen met zijn vrouw Y en zijn kinderen XX en XY een verpauperde rijwoning in de Gentse buurt Z. In de krappe woonkamer kijken de kinderen Walt Disney, staat de Albanese versie van de Koran naast de Arabische op de schouw en prijkt een roodzwarte adelaarsvlag aan een voor het overige kale muur. Mijn gesprekspartner kijkt wantrouwig naar het bandopnemertje. Ik schakel het uit en noteer dat Sali afkomstig is uit een dorp nabij Skhöder, de tweede stad van Albanië. “Dat mag je opschrijven”, zegt hij. “Er zijn veel bloedwraakvluchtelingen uit die streek. ‘Ze’ kunnen niets aanvangen met enkel die gegevens”. Sali Podrimja heeft een universitair diploma, is leraar Albanees - Italiaans en spreekt daarnaast ook Grieks, Arabisch en Nederlands. Hij pikte het Nederlands op van zijn schoolgaande kinderen, en spreekt het verbazingwekkend vlot.

 

Drieduizend euro

Zes jaar geleden is Sali met zijn familie naar België gevlucht, drie jaar nadat zijn neef Anton een telg van de familie Xoxe vermoorde. De ellende begon met een discussie over politiek. Bij de verkiezingen van 1997 kreeg Anton – communistisch commissaris in een verkiezingslokaal – het aan de stok met een aanhanger van de democraten. “Jullie zijn al meer dan vijftig jaar aan de macht en jullie hebben niets kunnen veranderen. Nu is het onze beurt” wierp de democraat Anton toe. Er ontstond een handgemeen: Anton kreeg klop, nam zijn pistool en schoot de man dood. De kranten titelden: “Communisten willen opnieuw in de regering, desnoods gewapenderhand”.

Anton Podrimja werd door de politie opgepakt maar drie weken later vrijgelaten wegens gebrek aan bewijzen. Het wapen werd niet teruggevonden en mensen waren bang om te getuigen. Na zijn vrijlating leefde Anton een week ondergedoken alvorens Albanië te ontvluchten. De volgende weken en maanden zijn alle mannen van Sali’s familie –een dertigtal - gevlucht. Waarheen weet Sali niet. Of toch… eentje woont in Canada…en een ander heeft asiel gekregen in Australië.

“Ik ben als laatste weggegaan”, getuigt Sali. “Mijn vrouw lijdt aan een ernstige ziekte en ik weigerde haar alleen achter te laten. Ik heb werk gezocht in Griekenland. Twee jaar heb ik tussen Albanië en Griekenland gezworven. Na verloop van tijd voelde ik me niet langer veilig. Griekenland herbergt immers de meeste Albanese vluchtelingen (meer dan een half miljoen, of één zesde van de totale Albanese bevolking, jb). Elke landgenoot die niet tot mijn familie behoort, kan lid zijn van de vijandige familie”.

“Ik moet hier weg, zo snel mogelijk” smeekte Sali aan de telefoon. Kort nadien zat hij met zijn gezin op een sloep naar Italië. Mensensmokkelaars brachten hen naar de andere kant van de Adriatische zee. “Met veertig waren we, waarvan de helft kinderen. In Italië werden we verdeeld onder vrachtwagenchauffeurs. Duitsland? Ga naar die chauffeur! Engeland? Daarginds! Brussel? Die kant op! Aan de grens met Italië heb ik voor het laatst licht gezien. Tussen Italië en Brussel zaten we weggestopt in de koffer van een vrachtwagen”. Zesduizend mark of zo’n slordige 3000 euro heeft Sali voor  de hele reis betaald. “In Brussel werden we eruit gezet. Iemand toonde waar we ons konden aanmelden als vluchteling. Op 4 september van het jaar 2000 heb ik asiel aangevraagd in België. Ik had een contactadres van een bevriende Kosovaarse familie die we onderdak verleenden tijdens de Kosovo-oorlog. We hebben twee weken bij hen gelogeerd. Daarna hebben we zelf iets gevonden.”

 

Nergens veilig

Nu vader Podrimja een natuurlijke dood is gestorven, mogen Sali en zijn nonkels en neven een terugkeer naar Albanië voorlopig vergeten. De klopjacht op elk van hen is meer dan ooit open, en houdt niet op aan de grenzen van Albanië. De bloedwraak gaat door in de Albanese migrantengemeenschappen elders in Europa. Eén telefoontje richting Skhöder of Tirana volstaat om de klus te klaren. Iedereen tipt iedereen en iedereen is op de vlucht voor iedereen. Onlangs werden in Londen twee Albanezen veroordeeld voor bloedwraak. Ze hadden in 2002 op de luchthaven van Heathrow een landgenoot vermoord. Dichter bij huis werd een Albanees voor een Antwerpse Assisenjury vrijgesproken van bloedwraak. De man werd beschuldigd van moord op een landgenoot in augustus 2001 aan het Sint-Jansplein in Antwerpen. De enige twee getuigen haakten – om onduidelijke redenen – in de loop van het onderzoek af, en de man werd vrijgesproken op basis van ‘het gammele dossier’.

“Ik heb nog nooit bedreigingen ontvangen in België, maar ik ben bang”. Sali schuwt elk contact met de buurt. “De weinige mensen die me kennen, denken dat ik Kosovaar ben (Kosovaren en Albanezen spreken dezelfde taal, jb). Dat is maar best zo. Ik heb geen contact met andere Albanezen en ik wil ook geen contact. Elke Albanees kan een verklikker of zelfs een moordenaar zijn.” Alleen zijn buurman, ook een Albanees, kent Sali’s voorgeschiedenis. “Twee jaar hebben we naast elkaar gewoond zonder met elkaar te spreken. Daarna heb ik voorzichtig contact gezocht. Toen ik ontdekte dat hij uit een streek kwam die 70 kilometer van mijn dorp verwijderd was, heb ik al mijn moed samengeraapt en heb ik hem mijn verhaal toevertrouwd. Ik heb echter nooit de naam van de vijandige familie vermeld. ‘Als er ooit iets met jou gebeurt, dan zal het zijn omdat ik geklikt heb’, bezwoer hij me. Ik vertrouw hem”.

 

Het gezin Podrimja overleeft met gelden van de lokale vluchtelingenwerkgroep. Zij betalen de schamele huur en schenken hen voedselrantsoenen. Sali komt amper het huis uit. Door de ziekte van zijn vrouw Fatmire zorgt hij voor het huishouden en de kinderen. Fatmire heeft sinds haar jeugd ernstige hoofdpijn. Ze is al bij neurologen en psychiaters geweest, maar niemand kan het probleem oplossen. De arts van het lokale wijkgezondheidscentrum vermoedt dat Fatmire met een posttraumatische stressstoornis sukkelt. Als kind op de lagere school was ze getuige van een schietpartij waarbij verschillende kinderen om het leven zijn gekomen. Ze ontvangt medicijnen van het OCMW en moet regelmatig naar het ziekenhuis.

 

Sinds Sali Podrimja in 2000 asiel aanvroeg, is er maar weinig schot in de zaak gekomen. Aangezien hij niet tot een vervolgde bevolkingsgroep behoort, komt Sali volgens de criteria van de Conventie van Genève niet in aanmerking als vluchteling. “Sali’s situatie is eigenlijk een individuele aangelegenheid”, legt zijn advocaat uit. “Het Commissariaatgeneraal voor de Vluchtelingen zegt dat de rechtbanken en ombudsdiensten in Albanië in staat zijn het probleem te bedwingen.” De altijd rustige Sali veert recht als zijn asielsituatie ter sprake komt. Zijn minzame glimlach verandert in een strijdvaardige grimas. “De Albanese overheid staat machteloos tegenover de bloedwraak!”. Hij zwaait met officiële politiedocumenten uit Skhöder, waarin de burgemeester bevestigt dat de overheid ‘ondanks alle wettelijke inspanningen’ niet bij machte is het fenomeen te counteren. “Als duizenden Albanese families gevlucht of ondergedoken zijn voor de bloedwraak, is dat dan nog een privé-zaak? Men moet niet naar de theorie van de Conventie kijken, maar naar de praktijk van de vele bloedwraakvluchtelingen.” Sali wil niet voor een economische vluchteling versleten worden. “In Albanië was ik leraar en had ik kapitaal. Als ik niet bang was voor de bloedwraak, waarom zou ik een sukkelaarleventje in België leiden in plaats van terug te gaan naar mijn geboortegrond? Hier heb ik werkelijk niets: geen geld, geen kansen, geen hoop op beterschap. In België blijven is een risico, maar teruggaan naar Albanië staat gelijk aan zelfmoord.”

 

JAN BOESMAN

 

Bloedwraak in Europa.

Bloedwraak werd in Europa toegepast door de Germanen. In de Middeleeuwen was deze praktijk in Europa nog zeer gebruikelijk, en vele oorlogen zijn begonnen vanwege bloedwraak-vetes tussen adellijke families. Met de komst van een overheid die zorgdraagt voor het bestraffen van misdadigers zou bloedwraak als gerechtvaardigde reden voor moord uit vrijwel heel Europa verdwijnen. Alleen op Corsica, Sicilië en Albanië komt in Europa nog bloedwraak voor. In 1920 werd bloedwraak op Corsica bij wet verboden. In Albanië komt bloedwraak met name in het noorden voor.
Het gewoonterecht van de Kanun dateert er uit de zestiende eeuw. Onder de communisten werd de bloedwraak met harde hand onderdrukt. Moordenaars werden gewoon door de staat ter dood veroordeeld, waardoor families niet moesten vluchten of onderduiken. Het democratisch regime staat echter machteloos. (bron: Wikipedia)

Strikte regels

Bij een gelijke stand, na de tweede dode, is de bloedwraak in principe afgedaan. Als de tweede dode door zijn positie meer ‘waard’ was, als ‘de vorm’ van de moord te zeer verschilt of als de getroffen familie de tweede dode ‘onterecht’ vindt, kan een bloedvete (of vendetta) ontstaan. De kans een vendetta te beëindigen is het grootst wanneer er aan beide zijden evenveel slachtoffers zijn gevallen. Maar de telling is niet zo simpel omdat ook de status van de slachtoffers van belang is. Zo geldt een ouder slachtoffer als ‘waardevoller’ dan een jonge vrijgezel. 
Een algemene regel is dat vrouwen en kinderen (tot 12 jaar) nooit het slachtoffer mogen worden. Het doden van vrouwen en kinderen is immers niet eervol. Vrouwen spelen wel een belangrijke rol bij het voortzetten van een bloedvete. De bebloede kleren van een nog ongewroken slachtoffer worden door de moeder of weduwe bewaard en dikwijls getoond aan een broertje of zoon die, als hij groot genoeg is, zijn broer of vader zal moeten wreken. Families die om morele of andere redenen niet in staat zijn te doden, kunnen een huurmoordenaar inschakelen. (bron: Wikipedia)