



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Open brief aan Patrick Dewael
Geachte Minister Patrick Dewael,
We lezen, horen, zien u de laatste weken vaak in de media. U brengt een verhaal over 'het recht', over 'de wet' en over 'artikel zus en zo' uit die wet. Het verhaal klinkt helder, rationeel, objectief en onweerlegbaar. Maar toch, toch is dit verhaal minder objectief en minder onweerlegbaar dan het lijkt. Alleen hangt dit af van hoe we willen denken en waarover we willen denken. Deze brief is een uitnodiging om de andere kant van het denken te verkennen.
Laten we beginnen met het recht. Eén van de eerste paradoxen die studenten bij de inleiding op een cursus recht leren kennen, is dat het recht niet altijd rechtvaardig is. Vreemd, en bij veel van die jonge studenten roept dit verontwaardiging op. (Zij kunnen nog verontwaardigd zijn.) Hoe kan het recht niet rechtvaardig zijn en, erger nog, hoe kan het recht on-rechtvaardig zijn? Wordt het recht dan geen on-recht? Terechte vragen, maar niet alle vragen kunnen helder worden beantwoord. Ook dat leren deze beginnende studenten vrij snel. Dit zijn eerder voorbeelden van complexe vragen die complexe en vooral genuanceerde antwoorden vereisen, en die als vragen uiteindelijk blijven behoren tot de categorie 'een leven lang te bevragen en te overwegen'.
Eén van de deelantwoorden schuilt misschien in het onderscheid tussen de wetten en de wet. U weet wel, Derrida en zijn essays 'over gastvrijheid'. U verwijst naar 'de wetten' en u vraagt ons die wetten te respecteren. Wetten die ons zeggen dat we gastvrij mogen zijn, maar dan enkel voor wie gescreend is, goed bevonden en officieel 'legaal' verklaard. Anders gezegd: we mogen gastvrij zijn voor wie door 'de wetten' erkend is als 'onze gastvrijheid waardig'.
Maar naast deze (beperkende) wetten bestaat er ook zoiets als 'de wet van de gastvrijheid' en dat is een andere wet, een ethische wet, een wet die is ingebakken in onze cultuur, in onze Oudgriekse en Joods-christelijke traditie. Laten we dit even concretiseren. Wat volgt zou een speciale betekenis moeten hebben voor u, want - voor zover we dat via de media vernemen - is uw eigen familiale geschiedenis verbonden aan dit onderscheid tussen 'de wetten' en 'de wet'. In de jaren '30-'40, de jaren van het fascisme en nazisme, bepaalden 'de wetten' dat men enkel gastvrij mocht zijn ten aanzien van 'Arische' mensen. In de publieke ruimte - in straten, op pleinen, aan stranden, in eetgelegenheden, winkels, schouwburgen - maar evenzeer in de strikt private ruimte - de thuisruimte - was gastvrijheid selectief toegestaan voor de Arische medemens, of eigenlijk vooral voor de ideologisch volgzame mens, de partijtrouwe mens. (Sommige anderen werden als niet-mensen beschouwd, nog anderen als staatsgevaarlijke mensen). Wie die wetten overtrad, kon bestraft worden met de dood.
En toch! Toch waren er talloze mensen die 'de wetten' overtraden en die deze ene ethische wet volgden, de wet van de gastvrijheid, de wet die zegt: "Mijn huis is jouw huis. Wat ik heb, is van jou, en dat delen we zonder voorwaarden." Dankzij deze overtreders van 'de wetten' (maar toepassers van die ene universele wet van de gastvrijheid) overleefden tal van met de dood bedreigde mensen. Nu eren we deze wetsovertreders, schenken we hen medailles, bestuderen we hen zelfs om uit te maken wat deze mensen dreef om er met inzet van hun leven voor te kiezen medemensen in nood te helpen. Wat hen dreef, is het vermogen van mensen om ethisch en cultureel gevoelig te blijven voor die universele humane wet, die nooit in 'wetten' kan of mag gevangen worden.
Laten we in dit hele debat even na denken over dit onderscheid, over de vraag naar moreel gedrag, naar de universele humane wet en naar het culturele belang van deze wet.
Zijn hedendaagse politieke partijen niet op zoek naar 'sociale cohesie' in de samenleving, naar het stimuleren van 'actief burgerschap', naar een heropleving van samenlevingsverbindende waarden en normen? En doen we dit dan enkel via onze vaak kromme wetten, of durven we te rekenen op die universele ethische wet die veel mensen nog kennen en toepassen? Of willen we die wet misschien officieel gaan criminaliseren, zonder nuance, zonder reflectie, zonder twijfel?
En tot slot: uitgaande van de wet van het universele humanisme moet ook de vraag worden gesteld of de goedkeuring door de officiële instantie - die belust is op uitsluiting - dwingend moet werken ten aanzien van gastvrijheid als meedogende en op insluiting gerichte realiteit? Moeten we onze gastvrijheid baseren op een bureaucratische wet of op een humane wet?
LEEN VAN DER VORST
