



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Zwart Gent
Als Gent de wereld was, dan was de Muide Afrika. De Muide is het aanhangsel. Dat wat meestal vergeten wordt. Daar waar geen mens ooit komt, want de rechte lijn die punt a met punt b verbindt, gaat nooit door de Muide.
De Muide was vierhonderd jaar geleden al een onhandig appendix, een sompig stuk landbouwgrond waar niet veel mee aan te vangen viel. Later, toen stoom de wereld verkleinde, werd het de plek waar de nieuwe rijkdom zich in pakhuizen langs de kaai opstapelde en waar inderhaast opgetrokken woningen het armoedige fabrieksvolk moesten huisvesten. De wind die tijdens deze korte periode van intense verandering door de straten in aanbouw waaide, bepaalt het karakter van de wijk. Hier waart het spook van de vroege moderniteit. Hier kan je de hoop op betere tijden voelen.
De betere tijden kwamen, maar niet voor iedereen. De havenactiviteit sloop weg naar het noorden. Deze plek werd achtergelaten door de wereld. De negentiende-eeuwse wijk blijft achter met zijn vaak geroemde volkse levenslust en zwaarmoedige droefheid.
Je staat aan het water bij de pakhuizen en de lage winterzon weerkaatst in het water. Je voelt hoe het vervallen post-industrieel decor zijn droevige melancholie aan je opdringt. De smartlappen uit de jukebox van café Sport die eerst de sfeer zo mooi kleurden, dragen nu bij tot het onbehagen. Dit zijn de trieste tropen van Gent.
Alles rond je dateert uit een tijd dat Vlaanderen een achtergesteld ontwikkelingsgebied was, waar het volk een taal sprak die slechts in boerencafés en smerige fabrieken verstaan werd.
Ondertussen lag langs de kade de rijkdom van de wereld te wachten om weggesleept te worden. Er moeten fortuinen door de handen van de Muidenaars gegaan zijn, maar rijkdom blijft slecht plakken in de periferie, en al zeker niet aan werkmanshanden. Achter de indrukwekkende pakhuizen van de havencompagnie stond er niets dan koten, niet geriefelijker dan een hut.
Tracht je in te beelden hoe ze samentroepten, in het jaar 1894, in het schemerduister van een kille novemberochtend. Met klak en klompen en geen kloten goesting. De handen diep in de zakken en het hoofd licht gebogen. Ondergaan ze gelaten, of zijn ze strijdlustig? Dromen ze van Amerika of Vera Paz, waar niemand moet werken? Wat zouden ze ervan zeggen, mochten ze weten dat de meeste van hun bouwvallige woningen de machtige, ijzeren pakhuizen op een haar na hadden overleefd?
De holle spookachtige skeletten op hun postindustrieel braakland stonden jaren weg te kwijnen. Maar dat was voor er opnieuw geld te verdienen was langs de kade. Een nieuwe compagnie heeft geld bespeurd, en geld zal er verdiend worden. Deze verschroeide aarde zal duizend bloemen laten bloeien.
De beschaving komt terug naar de Muide, het is te zeggen naar die ene uithoek waar het water rust brengt en vanwaar je, met de cocktail in de hand, van op je terras de drie torens zo mooi ziet staan. Want er worden lofts gebouwd in deze parels van vroeg-industriële architectuur. De mooiste en duurste lofts van Gent. De stad is blij, de buurt is blij, wat al dat moois zal zo hard blinken dat het heel de Muide zal verlichten. Zie de Muidenaars kijken vanuit hun cafés en vanachter hun ramen, naar al die mooie mensen in hun zilvergrijze “designer jeeps” of gitzwarte sportwagens. Zie hoe ze de ogen afwenden als al dat moois achter een bareel verdwijnt. Ze zullen apart leven. Of dacht je werkelijk dat iemand die vierhonderdduizend euro veil heeft voor een loft zijn gading vindt tussen de werkmanskoterij? De geografische verspreiding van rijkdom wordt opgeheven, terwijl de sociale kloven duizelingwekkende diepten aannemen.
De Muide blijft een ontwikkelingsgebied.
Voorbij de Muide is er niets dan het uitgestrekte, industriële braakland van de haven.
De Muide, dat is het einde van de wereld.
TYRON VAN HEE
