Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

DE ULTIEME KAPITALIST

Lieven Bauwens: weldoener of klootzak?

 

TT19p 27 bauwens
Het standbeeld aan de Reep (Collectie Arthur De Decker)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Lieven Bauwens was een achterbaks stuk crapuul. Dat is althans de overtuigde mening van enkele auteurs - en niet veel mensen nemen nog de moeite hen tegen de spreken. Bauwens mag dan wel een Gents uithangbord zijn, het is er blijkbaar één met een kantje af.

 

De Bauwens Brothers

Lieven Bauwens is beroemd omdat hij een spinmachine van Engeland naar het vasteland smokkelde, maar waarom deed hij dat eigenlijk? Kon hij die machine niet gewoon eerlijk kopen? En is dat trouwens niet raar: een industrieel als icoon van een stad die zich zo graag beroept op zijn militante arbeidersverleden?

 

Lieven wordt geboren in 1769 in de Waaistraat en heet eigenlijk Liévin. Liévin spreekt immers Frans, enkel vloeken doet hij in het Nederlands. Het geboortehuis zelf staat er niet meer, maar een plakkaat herinnert aan de blijde gebeurtenis. Dat plakkaat hangt ironisch genoeg pal naast het Bond-Moysongebouw van de Vooruitcoöperatieve op de Vrijdagmarkt.

De familie Bauwens zit in de leerlooierij en heeft een neus voor (al dan niet onfrisse) zaken. Wanneer de Franse revolutionairen de zuidelijke Nederlanden in 1794 inpalmen en bij Frankrijk annexeren, ruiken de broers Bauwens (vader  is dood, dus die ruikt niet meer) hun kans. In onze contreien haat iedereen de Fransen omwille van hun meedogenloze uitpersen van de bevolking, maar dat stoort de Bauwens Brothers niet. Ze verdienen grof geld met het leveren van leer voor laarzen en laken voor uniformen aan het bezettingsleger en voor de rest met alles wat geld kan opleveren. Volgens historica Ann Suetens “handelen [ze] hierbij met een totaal gebrek aan scrupules, zowel tegenover hun omgeving als tegenover de regering.” Ze verkopen zelfs zilverwerk uit geplunderde kerken.

 

Terwijl de Bauwensen ongegeneerd collaboreren, is in Engeland - Frankrijks aartsvijand - een technologische revolutie aan de gang. Door de mechanisering van het weven en spinnen bouwen de Engelsen razendsnel een enorme voorsprong op in de textielsector. Liévin is geïnteresseerd, al is hij eigenlijk een leerlooier. De Engelsen willen hun kennis echter niet zomaar afgeven,  zeker niet aan een geannexeerde Fransman.

Via Engelse tussenpersonen koopt Liévin een ‘mule jenny’ (een spinmachine) en allerhande andere machines, zogenaamd voor een fabriek in Schotland. Ook de werklui die hij aanneemt, vertelt hij dat ze naar Schotland of naar Hamburg gaan. Dat is gelogen, het einddoel is Frankrijk. Voor Engelsen betekent dat landverraad en het maakt een terugkeer onmogelijk. Wanneer de arbeiders hier achterkomen - ze zijn ondertussen al in Hamburg - revolteren ze. Twee arbeiders ontsnappen en lichten de Engelse autoriteiten in. Die rollen Liévins Engelse netwerk op.

De legende wil dat een Engelse rechtbank Liévin ter dood veroordeelt en dat bij gebrek aan een levende Bauwens, zijn portret geëxecuteerd wordt. Dat is niet waar. Wel waar is dat de achtergebleven tussenpersonen diep in de penarie  zitten. Ze vliegen een jaar in het cachot en krijgen een zware boete. Dramatische smeekbrieven aan zijn adres ten spijt, wijst niets er op dat Bauwens ook maar één poot uitsteekt om deze mensen te helpen.

 

Slavernij voor beginners

Liévins textielfabrieken ploppen als paddenstoelen uit de grond en leveren hem geld op, héél veel geld en macht, héél veel macht. Hij is intiem bevriend met prefect Faipoult, de eigenlijke machthebber in het Scheldedepartement (Oost-Vlaanderen). Faipoult is ook een directe lijn met Napoleon Bonaparte. En Liévin houdt van Napoleon. Zijn eerste zoon heet Napoleon, net als de eerste zoon van zijn ‘lievelingszus’ Sophie. Sommigen beweren overigens dat Liévin nog meer houdt van zijn lievelingszus dan van Napoleon en dat zijn neef eigenlijk ook een beetje zijn zoon is. Van zijn zus weten we het niet zeker, maar met Napoleon is de liefde alvast een beetje wederkerig: in 1800 bombardeert de consul Liévin tot burgemeester van Gent (al is dat ook wel omdat hij niemand anders vindt). Liévin brengt er niet veel van terecht en legt de functie twee jaar later alweer neer, maar toch, het is een schone geste van Napo.

 

Bauwens’ echte pièce de resistence volgt ook in 1800: hij opent een fabriek in de Gentse gevangenis, het Rasphuis. De gevangenen werken van zonsopgang tot ‘s avonds in volstrekte stilte op een dieet van dunne soep en brood, net genoeg om niet van honger om te komen. De personeelskost ligt er zes keer lager dan in een normale fabriek, waar de arbeiders ook al niet overbetaald zijn. Niet verwonderlijk dat in deze periode elke reden goed lijkt om mensen op te sluiten. Liévin overweegt eventjes een soortgelijk initiatief in het plaatselijke weeshuis, maar dat loopt op niets uit. Uiteraard beoogt hij met deze initiatieven slechts ‘de verbetering van het karakter van de plaatselijke bevolking’, niet zijn persoonlijke verrijking. 

Aanvankelijk gaat alles goed, Faipoult knijpt waar nodig een oogje (of twee) dicht en ook de burgemeester (Bauwens zelf) heeft geen klachten. De verhouding tussen de twee boezemvrienden bekoelt echter en Faipoult onderdrukt niet langer de rapporten over het Rasphuis: de gevangenen zijn ondervoed, gaan gekleed in lompen en verrichten slavenarbeid. Volgens het contract valt dat allemaal onder de verantwoordelijkheid van Liévin (die uiteraard van niets weet). Zelfs voor de Fransen is dat te veel van het slechte: Liévins negenjarige contract met de gevangenis wordt in 1809 niet verlengd.

 

Tegen die tijd is Liévins ster al flink verbleekt. Hij verdient zijn hele leven geld als slijk, maar kan blijkbaar niet goed tellen. Zijn boekhouding trekt op niets en na een tijdje volgt het ene faillissement op het andere. Tussendoor besteelt hij de staat een paar keer en betaalt hij zijn arbeiders niet uit.

Liévins economische rijk verdwijnt samen met het politieke rijk van zijn grote held, Napoleon Bonaparte.

De rest van zijn leven slijt Liévin verarmd in Frankrijk, verbitterde brieven schrijvend naar eenieder die het horen wil. Hij sterft in Parijs in 1822 en ligt begraven op Père Lachaise, al schijnt  niemand te weten waar precies.

 

Kil, gierig, paranoïde, ... En onbekwaam!

Na zijn dood erkent iedereen Liévin als een groot kapitalist, maar dat volstaat niet om legendarisch te worden, laat staan populair. Men noemt een plein en een trein naar hem, en daar blijft het bij. Maar dat verandert in de tweede helft van de negentiende eeuw. In België heerst een ware heldenrage, die overal ‘vergeten’ helden ziet die dringend een standbeeld nodig hebben. Liévin is zo’n vergeten held. Zijn naam kan niet meer vallen zonder vergezeld te gaan van woorden als ‘held’, ‘redder’ of  ‘weldoener der volksklas’: “De ongelukkigen helpen, de wezen beschermen, de smarten lenigen, daartoe gebruikte hij zijn fortuin.”

Dat is pertinent niet waar, maar wat doet dat er toe? Liévin bewaakte zijn industriële geheimen (die hij natuurlijk zelf gepikt had) en de bijhorende winsten als een paranoïde moederkloek op speed. Zijn medewerkers behandelde hij als machines (of nog slechter misschien, want ze waren minder waard). Als hij twee arbeiders met elkaar zag praten, was hij er van overtuigd dat ze een revolutie planden. Zag hij ze tegen iemand anders praten, dan geloofde hij rotsvast dat ze zijn geheimen verkochten. ‘Enkel angst houdt die luie zatlappen in het gareel’, schreef hij aan de burgemeester van Gent.

 

In 1885 krijgt Liévin zijn standbeeld (aan de Reep). Met Liévins standbeeld  is het hetzelfde als met zijn historische beeld: het lijkt wel op Liévin, maar het is toch duidelijk iemand anders. Het standbeeld is gebaseerd op een familielid van Liévin en is duidelijk mooier en groter (hij was maar 1m57) dan het enige betrouwbare portret dat we hebben.

Gent heeft er – alweer - een held bij; een held die zelf nooit echt onder de indruk was van de stad. ‘Gent is een groot dorp met bekrompen mensen’, schreef hij in een brief - uiteraard in het Frans -, ‘waar het enige theater de acteurs laat sterven van de honger, en waar de zaal verlaten is, als er niet te eten en te drinken valt’.

 

Het rooskleurige beeld van Liévin blijft tot lang na de tweede wereldoorlog hangen, al schrijft ene Karl Brandes in 1943 al een kritische roman over onze held. Een echte frontale aanval komt er pas in 1972 met de licentiaatsthesis van Ann Suetens. In de jaren ’80 doet Suetens die aanval nog eens dunnetjes over in het tijdschrift van het MIAT. In een artikel van meer dan 40 bladzijden vindt Suetens plaats om welgeteld één vriendelijke zin over Liévin te schrijven: hij was vriendelijk tegen de kinderen die hij verwekt had bij de dochter van een van zijn Engelse werknemers, met wie hij pas trouwde nadat hun drie kinderen geboren waren. Verder was Liévin volgens Suetens kil, leugenachtig, egocentrisch, geldzuchtig, paranoïde, gierig en onbekwaam. Ze overdrijft misschien een beetje door alle zonden van het vroege kapitalisme aan Liévin persoonlijk toe te schrijven, maar ook in andere artikels over Liévin duikt vanaf die periode steeds vaker het woord ‘onmenselijk’ op.

Deze aanvallen op Liévin veroorzaken geen gepassioneerde verdediging, geen bergen lezersbrieven, geen demonstraties voor zijn standbeeld (zelfs niet van de ‘gedecoreerde arbeiders’, zijn grootste fans in 1885). Waarom niet? Het lijkt simpel. Niemand geeft nog om Liévin. Of erger: hij is een beetje een embarrasment geworden. Want Suetens heeft natuurlijk een punt. Liévin was een ondernemende kapitalist in hart en nieren. Hij hield meer van geld dan van mensen en meer van heel veel geld dan van een beetje geld. Om dat doel te bereiken, ging hij over lijken. Leuk en sympathiek is anders, maar wie heeft ooit beweert dat het kapitalisme leuk en sympathiek is? Liévin vat het zelf nog het best samen in een brief aan zijn schoonbroer: ‘Ik zou mijn geluk vaarwel kunnen zeggen, als ik me dat van anderen zou aantrekken.’

En zo leert het leven van Liévin ons alsnog een wijze les: zelfs amorele kapitalisten zonder scrupules kunnen niet zomaar rekenen op een zorgeloze oude dag. Er blijft dus altijd hoop …

 

Wouter Brauns