



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
De vuile broek van Gent
Het gebeurde hoogst zelden dat we op familiebezoek gingen bij onze Tante Gaby die in Jette resideerde. Het was niet zozeer de lange autorit vanuit het diepe West-Vlaanderen die ons tegenstond - in de late jaren zestig waren files op de autostrade nog een zeldzaamheid - het was het naakte feit dat Jette tot het grondgebied Brussel behoorde dat de lage frequentie van onze bezoekjes verklaarde.
Mijn vader was een flamingant van de harde lijn, het francofone Brussel beschouwde hij als vijandig gebied. Zijn oplossing voor de Brusselse kwestie was even simpel als rechtlijnig: platbombarderen en er een reusachtige parking van maken. Het was dan ook met tegenzin dat hij één keer per jaar achter het stuur van onze Simca kroop voor het obligate nieuwjaarsbezoek op volksvreemd terrein.
Nonkel Robert, de echtgenoot van onze tante, kon op weinig sympathie rekenen bij mijn vader. De man sprak perfect Nederlands, veel beter dan mijn vader die zich alleen in zijn West-Vlaams dialect kon uitdrukken, maar dat nonkel Robert die hij heel zijn leven consequent 'de Brusselaar' zou blijven noemen, even vloeiend Frans sprak als zijn moedertaal, dat maakte hem in de ogen van mijn vader een verdacht en verwerpelijk sujet.
Alsof dat nog niet volstond, werkte hij ook nog eens op het Ministerie van Financiën. Hoe fout kon iemand zijn: tweetalig Brusselaar én ambtenaar bij Financiën.
Op de terugweg heerste totale stilte op de achterbank. Mijn nukkige vader die de impressies uit de oorlogszone zwijgzaam trachtte te verwerken, en wij die wisten dat het opportuun was om nu onze mond te houden.
Tot we Gent passeerden en mijn nichtje de historische quote uitkraaide die me steeds is bijgebleven: “Gent stinkt, Gent heeft een vuile broek aan!”
Daar moest ik aan denken toen ik vanmorgen de folder met een belangwekkende boodschap van de Algemene Directie Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse open plooide.
In vette letters gedrukt op een groezelige achtergrond van walmende, roet uitbrakende, zwartgloeiende fabriekschoorstenen tegen een Danteske, vuurrood geblakerde hemel,
de gelijkenis met de verbrandingsovens van Auschwitz was louter toevallig, stond te lezen:
“HOE, ALARM? WAT, ALARM? WAAR, ALARM?
Misschien wist je het, misschien wist je het niet, maar jij woont niet ver van een Seveso-bedrijf met een hoog veiligheidsrisico. Is dat een reden tot paniek? In geen geval.”
Geen reden tot paniek, dat was alvast een hele geruststelling, alleen deed de teneur van de brochure, de hoogdravende bloklettertaal en de vele uitroeptekens het tegendeel vermoeden.
“HOU DE OREN GESPITST!
In en rond een Seveso-bedrijf staan verplicht elektronische sirenes, die bij het minste alarm afgaan. Zo krijgt iedereen de tijd om zich rustig en zonder paniek in veiligheid te brengen. Lees de brochure en memoreer de vijf vuistregels. Vrees je de vijf regels te vergeten? Geen probleem! Steek de kalender op zak, zo heb je ze steeds bij de hand.”
Wakkere, patriottische burgers zoals we zijn, hebben mijn buurman Gustaaf en ikzelf onmiddellijk onze verantwoordelijkheid opgenomen en een Comité van Waakzaamheid uit de grond gestampt. We trekken van deur tot deur om de vuistregels van het Seveso-manifest op een eenvoudige manier uit te leggen en aanschouwelijk te demonstreren.
1. Ga of blijf binnen
2. Sluit ramen en duren
3. Luister radio of tv
4. Telefoneren kan wachten
5. Laat de kinderen op school
Een goede voorbereiding is het halve werk.
Als u dit stukje zou lezen, mijnheer de Minister van Binnenlandse Zaken: u kan op beide oren slapen. We zijn er klaar voor. Mijn buurman en ik hebben allebei in het Belgisch Leger gediend. We zijn bijgevolg niet onbeslagen op het terrein van de nucleaire, chemische en bacteriologische oorlogsvoering. Als er een atoombom ontploft, graaf een putje, verberg je, sluit je ogen en stop je wijsvingers in je oren.
Mijn buurman Gustaaf herinnert zich uit W.O. II de schuiltafel, een robuuste tafel van plaatstaal waaronder de gehele familie kon schuilen bij vijandelijke bombardementen. Ze zongen samen een vrolijk lied en na het afblazen van het luchtalarm schaarden ze zich terug rond de tafel en aten ze verder.
Waarmee ik duidelijk wil maken: er is meer nodig dan een Seveso-alarm om ons van ons stuk te brengen.
Wat we ons wel afvragen, mijnheer de Minister: waar is dat Seveso-bedrijf in het Rabot precies gelokaliseerd?
Het is toch niet de pitatent op de hoek van de Wondelgemstraat?
Tot slot nog een kleine suggestie. Kanaries beschikken over een uiterst verfijnd reukorgaan dat het kleinste gaslek onmiddellijk detecteert. We hebben uitgerekend dat twaalfhonderd exemplaren volstaan om het Rabot te beveiligen.
Valt deze materie onder uw bevoegdheid of moeten we met onze subsidieaanvraag voor zangvogels aankloppen bij uw collega, de Minister van Cultuur?
LIEVEN DEFLANDRE, NAMENS HET SEVESO-COMITé VAN WAAKZAAMHEID.
