



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Op je gat onder een boom
Koen Van Synghel over de relativiteit van architectuur
Koen Van Synghel (1965) publiceert regelmatig over architectuur. Onlangs was hij nog in Gent te gast als curator van het Time Festival. We polsten naar zijn mening over de bouwkunst in Gent en de geplande ingrepen in het stedelijke weefsel.
> Voor De Standaard bespreek je tweewekelijks opmerkelijke bouwprojecten. Wat springt er volgens jou uit in Gent?
Van Synghel: “Bij de heraanleg van de publieke ruimte heeft Stad Gent enkele mooie dingen gedaan. Iedereen spreekt over de Gras- en Korenlei waar het contact met het water zeer geslaagd is. Maar ook de manier waarop bijvoorbeeld het Sint-Pietersplein is aangepakt, wekt bewondering. De soberheid van het nieuwe plein past perfect bij de historiek van de plek. Het was een schouwplein. Doordat het leeg blijft, daagt het uit om er dingen te doen. Een circus kan er haar tent op slaan. De foor of een concert vinden er ruimte in het centrum van de stad. Hoewel het misschien leeg oogt, is het zoveel beter dan een verkneuterd plein zoals de Groenplaats in Antwerpen. Daar blijft men jarenlang verder prutsen aan de invulling. Op het Sint-Pietersplein kan de tijd gewoon zijn gang gaan.
Maar qua architectuur valt er in Gent niet bijster veel te beleven. Onlangs stond er in De Standaard een interview met Paul Robbrecht. Hij omschreef Gent als een ‘stille stad’, die weinig ambitie koestert om zich met architectuur te profileren. Dat klopt. Bovendien pampert het stadsbestuur een aantal krokodillen-architecten. Ze krijgen veel opdrachten maar hebben niet de finesse om het verschil te maken. Als er al eens een gedurfd plan wordt gelanceerd, dan ontbreekt uiteindelijk de politieke wil om er echt voor te gaan. Denk maar aan de idee voor een forum aan de Waalse Krook of de vaudeville rond het Emile Braunplein.”
> Er zijn de laatste jaren toch een aantal grootse plannen uitgewerkt, zoals voor de Oude Dokken aan de Dampoort of de buurt rond het Sint-Pietersstation?
“De stadsontwikkelingsprojecten aan de Dampoort en het Sint-Pietersstation zijn interessant. Maar ze zijn ook kwetsbaar. Als je de plannen uit handen geeft en de uitvoering niet bewaakt, dan gaat het evenwicht in het ontwerp zo verloren. De keuze voor enorm veel kantoorruimte bij het Sint-Pietersstation is daarvan een voorbeeld. Met wil een stadsversterkingspool creëren, maar de woonfunctie wordt ondergewaardeerd. Ook voor de concrete realisatie van het project Oude Dokken aan de Dampoort houd ik mijn hart vast. Het merkwaardige aan projecten in Gent is dat ze nu eens een toonbeeld zijn van hoe het moet, dan weer een regelrechte ramp. Zo zat ik mee in de jury voor een nieuwe woonwijk op de plaats waar nu nog het oude voetbalstadium staat. De Stad en haar diensten hebben het proces perfect begeleid en omkaderd. Er was een jury, drie ontwerpbureau’s gingen aan de slag, en er was de kans voor terugkoppeling en bijsturing van hun ontwerpen. Uiteindelijk wint de beste. Maar als je kijkt naar de procedure voor het nieuwe voetbalstadium: daar is de keuze voor de locatie zelf door de strot van de stedenbouwkundigen van ‘t stad geramd. Tegen het structuurplan in, met een programma erbij van winkelcentra’s om het gebouwd te krijgen.”
> Hoe zorgt men ervoor dat in de uitvoeringsfase van zulke projecten geen fouten worden begaan? Moet de Gentenaar haar overheid controleren?
“Het is aan de overheid zelf om over de kwaliteit - ook de architecturale - te waken. Als je een plan lanceert, moet je er ook een bewaker voor hebben. Vaak krijgt de architect die het plan maakte, de supervisie over de uitvoering toegewezen. Maar het gaat uiteindelijk over machtsevenwichten. De toverformule is tegenwoordig publiek-private samenwerking. De privé zou zo mee dure projecten financieren. Maar het is een formule met een serieuze achillespees. Als de overheid zwak staat, wordt de private partner op haar grieven bediend. Die kan gemakkelijk chanteren. Bijvoorbeeld door te zeggen: ‘als ik dit en dat niet krijg, dan trek ik me terug en komt er niets van het project in huis’. Zo’n situatie is niet optimaal als je de kwalitatieve uitvoering van een plan wil bewaken.”
> Wat denk je over de tendens van gentrification die zich bij stadsontwikkelingsprojecten voordoet? Dan stijgen de prijzen in de wijk en komen arme stadsbewoners in de problemen, waardoor ze moeten opkrassen. Dat gebeurde bijvoorbeeld door de bouw van het nieuwe gerechtsgebouw aan het Rabot.
“Daarom vind ik die projecten op zich nog niet slecht. Het is vaak een complexe realiteit. Mensen zijn ook tevreden als hun buurt erop vooruit gaat. Hun huis wordt meer waard, of er komen nieuwe mogelijkheden voor horeca of kleinhandel. De cruciale vraag is of het gerechtsgebouw daar op zijn goede plaats staat. De overheid moet de moed opbrengen, en de procedures voorzien, om daarover met de bewoners in dialoog te treden. Er is een poging gedaan om zo’n inspraakprocedure te organiseren over het Emile Braunplein.
Elk stadsontwikkelingsplan moet door een ontwerpproces. In die fase kunnen er door inspraak verbeteringen worden aangebracht. Vragen zoals hoe het zit met sociale verdringing zijn daarbij belangrijk. Maar je moet ook aanvaarden dat zo’n inspraakprocedure ooit moet eindigen, en dat je als stad niet alles kan sturen.”
> In Gent woedt al langer de discussie over wat er in de 19de-eeuwse gordel moet gebeuren. Het zijn bruisende stadswijken die echter lijden onder een te lage kwaliteit van het woningbestand…
“Er zijn twee tendensen. Mensen stimuleren om zelf te renoveren, en als overheid ingrijpen in het stedelijke weefsel. Als een overheid met een huizenblok aan het werk gaat, zijn er andere mogelijkheden dan degene die binnen het bereik liggen van private renovatie. Men kan dan bijvoorbeeld breken met de monotone indeling van auto- en huizenrijen in de 19de-eeuwse gordel. Toch wordt er als men over stadsvernieuwing nadenkt nog te veel vanuit het appartementsidee vertrokken. Men moet zich afvragen wat de 19de-eeuwse gordel biedt dat appartementen niet hebben. Vaak ligt er ergens achterin zo’n verkommerd huis een atelier verscholen, waar men aan een auto kan prutsen of materiaal kan opslaan - iets wat verloren gaat in de afgemeten ruimte van appartementen. In Antwerpen is het gemeentebedrijf VESPA aan de slag. Het koopt verkrotte panden op en probeert met een doordachte renovatie op dergelijke bredere behoeften in te gaan. In Gent bestaat zoiets nog niet. Hoewel nieuwbouwprojecten zoals Het Volk aan de Loesbergkaai ook naar een antwoord zoeken op de nieuwe condities van wonen.”
> In een reactie op het voornemen van minister Vandenbroucke om snel nieuwe schoolgebouwen te bouwen, waarschuwde je voor een overhaaste aanpak: Voor kwalitatieve architectuur die getuigt van een visie en een bildungsideal is meer tijd nodig. Wat bedoel je daarmee?
“Neem nu het voorbeeld van een school. Als je dat gebouw vanuit die ene onderwijsfunctie bekijkt en een financieringsmethode vindt, krijg je de bouw misschien snel voor elkaar. Dan kunnen de leerlingen er naar school, en na de uren worden de gebouwen gekuist en bewaakt door privé-firma’s. Maar waarom zouden die schoolgebouwen na de uren niet door de lokale jeugdvereniging of een groep Turkse vrouwen gebruikt kunnen worden? De simpelste weg is die van de economische rationaliteit. Een private organisatie kan briljante ideeën uitwerken over hoe de bouw of het beheer van een schoolgebouw het goedkoopst kunnen gebeuren. Maar de vraag ‘hoe willen we samenleven, hoe willen we de stad organiseren’ is er niet mee beantwoord. Veel allochtonen hebben een heilige schrik van bejaardentehuizen. Het zijn in hun ogen comfortabele gevangenissen. Vanuit een bildungsideal denk je na over andere functies voor zulke gebouwen, zodat er een overlap is met wat de mensen rondom het gebouw doen en waarvoor ze het zouden kunnen gebruiken. Dat kan enkel als een overheid realisaties vooropstelt die de gemeenschap moeten versterken.”
> Met de tentoonstelling ‘Kinshasa, de imaginaire stad’ won je in 2004 samen met Filip de Boeck De Gouden Leeuw op de architectuurbiënnale van Venetië. Kunnen we iets leren van de stedelijkheid voorbij de gebouwde architectuur, zoals jullie die belichten in Kinshasa?
“Kinshasa is lang geen ideaalbeeld. Maar wat mij boeit is het totale gebrek aan interesse voor architectuur. Architectuur is er als een ongepast kledingstuk. Door de afwezigheid van bouwkunst draait de stad om waar mensen dagdagelijks mee bezig zijn: de relatie tot hun kinderen, familie of buur. Het toont aan dat architectuur geen doel op zich is. Architectuur heeft een ondersteunende functie voor iets anders, maar dat verhaal verdwijnt te gemakkelijk naar de achtergrond. In China wordt er tegenwoordig aan een waanzinnig tempo gebouwd. De nieuwe stedelingen moeten zich maar aanpassen aan die flats, en hokken samen in ‘moderne’ woontorens. Terwijl mensen naar iets heel anders op zoek zijn. Eigenlijk wil iedereen op zijn gat onder een boom zitten en naar verhalen luisteren. De boom is in het westen misschien veranderd in een design loft, en de verhalenverteller is een televisie geworden. Maar wat de mens zoekt, blijft hetzelfde. Een focus op technologie mist de essentie. Hetzelfde geldt voor architectuur. Ik vind het voorbeeld van de kampeervakantie nog altijd sprekend. Mensen genieten er ontzettend van om in een caravan op een camping te staan. Koken op een eenvoudig vuurtje, slapen onder de blote hemel en zwemmen in de rivier. Niet alles moet met gebouwen opgevangen worden. Als het koud is, trek je gewoon een trui aan.”
MATHIAS BIENSTMAN EN PASCAL DEBRUYNE
Time als stadsfestival
Koen Van Synghel was samen met Anne-Mie Van Keckhoven curator van het laatste Time Festival. Gevraagd naar een evaluatie van het stadsfestival vond hij vooral de interventie op het Zuid geslaagd. Daar werd een decor heropgebouwd dat Anna Viebrock creëerde voor Visitors Only van Meg Stuart en Damaged Goods. Tijdens ‘de voorstellingen’ improviseerden de dansers van Damaged Goods er op live muziek. Koen Van Synghel: “Ik worstel er nog mee, met het gegeven van een stadsfestival. Wat is eigenlijk het intrinsieke opzet? Bij Time ligt het vast: het is geen theaterfestival of muziekevenement. In dat geval denk ik dat de uitdaging erin ligt om echt de stad in te trekken. Misschien moesten we daarin radicaler zijn. We doen geen theater, geen tentoonstellingen of fuiven, maar we brengen artistieke kwaliteit in de stedelijke ruimte. Wat Meg Stuart deed op het Zuid vond ik daarvan een knap voorbeeld. Zo’n radicale keuze heeft natuurlijk heel wat consequenties, ook logistiek. Het is moeilijk en duur om iets buiten te organsiseren. Daardoor zal je minder kunnen doen, maar kan je misschien ook meer naar iets toe leven.”

punt voor punt een heldere
punt voor punt een heldere analyse!
ps kunnen we krokodil-architecten uit het Circus (Mahy) en het (Citadel)park houden aub?