Home

TiensTiens

De andere k[r]ant van Gent

This page is a part of an online version of Tiens Tiens.

Hier spreekt men Nederlands

Over taal en ideologie

Onderzoekers wijzen al lang op de schoolachterstand van allochtone jongeren. Zo zou één op vijf allochtone leerlingen al in het lager onderwijs een schoolachterstand van minstens één jaar oplopen. Later behaalt slechts één op de twee een diploma middelbaar onderwijs en weinigen slagen erin door te stromen naar het hoger onderwijs. De voor de hand liggende verklaring luidt dat wie thuis in een andere taal dan het Nederlands wordt opgevoed, op school in de problemen komt. Die opvatting leeft niet alleen bij het brede publiek. Ook diegenen die beroepshalve met onderwijs bezig zijn lijken ervan uit te gaan dat het bestrijden van ongelijke onderwijskansen vooral neerkomt op het wegwerken van ‘taalachterstand’.

 

Taalachterstand

Er is sprake van taalachterstand wanneer de taalvaardigheid van leerlingen ontoereikend is om de lessen goed te volgen. De grootste problemen liggen bij vier veel voorkomende taaltaken in de klas: het luisteren naar en begrijpen van uitleg, het lezen van informatieve teksten, het begrijpen van schriftelijke vragen en opdrachten en het schriftelijk formuleren van antwoorden.

Dit gebrek aan schooltaalvaardigheid zou vooral duidelijk worden in het vakonderwijs. De lessen Nederlands bereiden de leerlingen onvoldoende voor op de taaleisen die deze vaklessen stellen. Daar overheerst een nadruk op correctheid en op het reproduceren van vooraf vastgelegde taalvormen en deelvaardigheden. Bovendien zou het taalaanbod binnen het vak Nederlands net door die productgerichtheid geringer en schraler zijn dan dat van andere vakken.

Nochtans is er over de meest gunstige omstandigheden voor taalverwerving nog maar weinig discussie. Die omstandigheden komen kort samengevat hierop neer: een rijk en overvloedig aanbod van begrijpelijke, levende taal, waarbij de taalverwerver ruim de gelegenheid krijgt tot taalproductie waarop hij aangepaste feedback krijgt. Net deze omstandigheden zijn in het onderwijs vaak onvoldoende aanwezig. Het mondelinge taalaanbod blijkt maar zelden rijk, terwijl het schriftelijke dan weer te moeilijk is voor veel leerlingen. Bovendien is er binnen schoolse leersituaties opvallend weinig taalproductie door de leerlingen zelf. Daardoor krijgen ze uiteraard maar weinig reacties op hun taalgebruik die hen zouden kunnen helpen taalvaardiger te worden. Zo bekeken zou je kunnen denken: als er één plaats ongeschikt is om een taal te verwerven, dan wel de school. Taalachterstand is dus ten dele een probleem van de manier waarop de school met taal omgaat.

 

"Als er één plaats ongeschikt is om een taal te verwerven, dan wel de school."

 

Schooltaal versus thuistaal

We hebben het tot nu toe over taalvaardigheid in het Nederlands gehad. Of specifieker: in het school-Nederlands, waarvan de eigenheid zo groot is dat veel taalkundigen het als een apart register beschouwen. Schooltaal is abstract, doorspekt met vakjargon en moeilijke grammaticale constructies. Bovendien is het interactiepatroon op school asymmetrisch: de leerkracht bepaalt vorm en inhoud van de communicatie en is verreweg het meest aan het woord. De thuistaal daarentegen is veel concreter, eenvoudiger en informeler; thuis verloopt de interactie bovendien symmetrischer. Deze breuk tussen thuis- en schooltaal zorgt ervoor dat schooltaal ook bij veel van huis uit Nederlandstalige kinderen overkomt als een vreemde taal.

Overigens lijkt de toenemende aandacht voor dit onderwerp de opvatting over taal als dé sleutel tot onderwijssucces alleen maar te versterken. Zo opende een artikel in het tijdschrift Klasse als volgt: “Er is een verschijnsel dat misschien meer invloed uitoefent op de prestaties van leerlingen dan motivatie, gezondheid, stress of verstand. Dat verschijnsel heet taal.” Het is een opvatting die ook minister van onderwijs Vandenbroucke lijkt te delen; zijn gelijke onderwijskansenbeleid focust in ieder geval zeer sterk op taal, of beter: op de kennis van het Nederlands.

 

“De taal is gansch het volk”

Deze opvattingen passen in een trend waarbinnen kennis van het Nederlands wordt gezien als dé oplossing voor een hele reeks inburgerings- of samenlevingsproblemen. Denk maar aan het beleid van minister van Wonen en Inburgering Marino Keulen voor wie niet-Belgen hun bereidheid tot het leren van het Nederlands moeten aantonen om in aanmerking te komen voor een sociale woning. Kortom, ‘wie hier wil wonen, werken, studeren... zal dat in het Nederlands doen of zal niet doen’. Dat is een handige positie om –als het misgaat - de zwarte Piet te kunnen doorspelen: ‘Ze wíllen geen Nederlands leren.’ Deze trend komt niet uit de lucht gevallen. Honderdvijftig jaar Vlaamse beweging - met haar sterke fixatie op het Nederlands - hebben een deelstaat opgeleverd die zeer sterk aan zijn ééntaligheid gehecht is. Die ééntaligheid is dan ook verankerd in een uitgebreide taalwetgeving die haar verzekert en beschermt: het openbare leven speelt zich verplicht in het Nederlands af. Taalkwesties zijn hier Gevoelige Materie en nogal wat politici en activisten allerhande voelen zich geroepen om het immer bedreigde Vlaanderen en zijn taal ter hulp te schieten. Dat ondervond bijvoorbeeld de Antwerpse schepen Robert Voorhamme die nét niet met pek en veren overgoten zijn stad werd uitgejaagd toen hij voorstelde ook Arabisch en Turks aan bod te laten komen in het onderwijs.

 

Goede en slechte meertaligheid

Op dit beeld (deze ideologie, volgens sommigen) van een ééntalig Nederlands Vlaanderen valt nogal wat af te dingen. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Vlaanderen is geen ééntalig land, zal dat nooit zijn en is het ook nooit geweest. En dat is niet alleen omdat Vlaanderen nu eenmaal geen eiland is en er zich hier bijgevolg altijd al anderstaligen zijn komen vestigen. Ook de autochtonen zijn meertaliger dan ze zelf misschien denken. Hele bevolkingsgroepen begeven zichzelf voortdurend in allerhande vormen van meertalige praktijk, zoals in het bedrijfsleven waar Engels schering en inslag is. Studenten en academici kunnen simpelweg niet meer zonder Engels en ook in de media en de amusementsindustrie is het Engels dominant. Deze meertaligheid wordt echter niet als problematisch gezien. Integendeel, ze heet een verrijking te zijn en wordt aangemoedigd. Hier is meertaligheid een troef. Hoe anders vergaat het hen die anders-dan-Engels anderstalig zijn! Wat ook hun taalbagage mag zijn, hun meertaligheid is een probleem, een obstakel dat hun integratie in de weg staat. Zolang ze het Nederlands niet machtig zijn, worden ze als ongeletterd beschouwd. Later kunnen ze dan eventueel verrijkt worden met Engels en/of Frans. We maken dus een onderscheid tussen goede en slechte meertaligheid.

Omdat de ideologische norm van ééntaligheid zo sterk is, wordt de feitelijke norm van meertaligheid al te vaak genegeerd, zowel bij autochtonen als allochtonen. Meertaligheid wordt enkel gezien als het beheersen van verschillende taalsystemen, als het produceren van grammaticaal correcte en wat woordenschat betreft ‘rijke’ taal. Dat is alvast wat de Huizen van het Nederlands lijken na te streven. Alleen blijken net daardoor veel van hun cursisten af te haken. Blijkbaar streven zij iets anders na? Taalcursussen gericht op het volledig beheersen van ‘goed’ Nederlands zijn te abstract en te contextarm. Ze voorzien niet in de concrete (deel)competenties waaraan anderstaligen behoefte hebben.

 

Meertaligheid zoals ze is

Meertaligheid werkt namelijk niet zo. Meertaligheid komt erop neer dat men voor verschillende communicatietaken verschillende onderdelen van verschillende talen gebruikt. Meertaligheid is dus niet het ‘volledig’ beheersen van verschillende talen. Het is een repertoire van specifieke stukken uit verschillende talen: genres, stijlen, speciale registers... waartussen men gaat ‘zappen’ naargelang de situatie, het onderwerp, de gesprekspartner dat vereisen. Deze feitelijke meertaligheid kan men in elke migrantenbuurt van ons zogezegd ééntalige land aantreffen. Migranten hebben specifieke Nederlandstalige competenties die echter beperkt zijn en specifiek taakgericht: ze dekken de onmiddellijk relevante communicatietaken in de buurt, op de werkvloer, in winkels, in contacten met openbare diensten... Dat ze andere competenties missen, bijvoorbeeld om het huiswerk van hun kinderen te begeleiden of een gesprek bij het CLB te volgen, wil niet zeggen dat ze het Nederlands onkundig zijn. Ze zijn alleen onkundig in het specifieke Nederlands dat voor deze taken nodig is. Wellicht zouden taalcursussen meer succes hebben wanneer ze zich lieten inspireren door deze concrete taalbehoeften dan door de ideologie van een ééntalig Vlaanderen. Het is nu eenmaal zo: Nederlands is voor veel immigranten in ons land niet de belangrijkste taal en het zal niets uithalen daar wat dan ook van te vinden.

 

"Ook bij veel van huis uit Nederlandstalige kinderen komt schooltaal over als een vreemde taal"

 

De meeste nieuwkomers in ons land komen over het algemeen niet in Sint-Martens-Latem of Brasschaat terecht. (Er zijn natuurlijk wel migranten die daar belanden, kaderleden van multinationals bijvoorbeeld, of Indiase diamantairs, maar aan hen worden geen inburgeringseisen gesteld.) Zij moeten zich zien in te burgeren, niet ‘in Vlaanderen’, maar in de omgeving waarin ze terechtkomen. En dan kan een Afrikaan die in het Rabot terechtkomt, al eens meer baat hebben bij kennis van het Turks dan van het Nederlands. Hij zal dan ook al snel (deel)competenties verwerven in deze taal, en zijn kinderen al helemaal. Van deze Afrikaan en zijn kinderen zal men ongetwijfeld beweren dat hij een taalachterstand heeft. Maar dan moet men ook beseffen dat deze taalachterstand niet de oorzaak, maar het gevolg is van de omstandigheden waarin hij moet leven. En dus niet een uiting van onwil of onkunde om te integreren en ‘onze taal te leren’.

 

Meertaligheid op school

Scholen hebben de laatste decennia de samenstelling van hun leerlingenpopulatie drastisch zien veranderen. Daarop heeft men meestal gereageerd zoals hierboven beschreven: door sterk in te zetten op het remediëren van ‘taalachterstand’ en het gebruik van andere talen dan het Nederlands actief te ontmoedigen. Daarbij werden de taalcompetenties die deze leerlingen wél hebben grotendeels genegeerd. Initiatieven die het anders wilden aanpakken, zoals Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur, zijn veelal nooit echt van de grond gekomen.

Nu lijkt onderwijsschepen Rudy Coddens dan toch van plan het geweer van schouder te veranderen.Tegenwoordig heeft één op drie leerlingen in het Gentse basisonderwijs een andere thuistaal dan het Nederlands. En dat is een gemiddelde, in veel scholen in de 19e-eeuwse gordel ligt dat percentage nog veel hoger. Coddens wil die meertaligheid nu ook een plaats geven op school. Concreet zullen kinderen voortaan ook hun moedertaal mogen spreken op school en zullen er personeelsleden aanwezig zijn die de kinderen in hun eigen taal kunnen helpen. Het is niet de bedoeling om in andere talen les te gaan geven. Maar ook Coddens gaat ervan uit dat leerachterstand in de eerste plaats een zaak is van taalachterstand. Het doel is de leerlingen zo snel mogelijk zo goed mogelijk Nederlands te leren door gebruik te maken van hun moedertaal. Daar is uiteraard niets mis mee: gebrekkige taalvaardigheid en geletterdheid hebben wel degelijk ernstige gevolgen voor het sociaal functioneren.

Maar dat het zo vaak misloopt bij de schoolloopbaan van migrantenkinderen heeft veel verscheidener oorzaken dan alleen maar het feit dat hun moedertaal niet het Nederlands is. Het kan geen kwaad in het achterhoofd te houden wat Basil Bernstein – een pionier inzake onderzoek naar de invloed van taal op sociale kansen - lang geleden al zei: “Education cannot compensate for society”. Of voor wie een kleine taalachterstand heeft in het Engels: ‘Onderwijs kan de samenleving niet compenseren.’

 

KOEN DE STOOP