



This page is a part of an online version of Tiens Tiens.
Daaaag, tot nooit meer!
Antropologe Ruth Soenen over smalltalk in de grote stad
Ruth Soenen is antropologe aan de KUL. Antropologen zijn mensen die we meestal verbinden met landen in het Zuiden en onderzoek naar nog net niet uitgestorven culturen in een wereld veraf. Het plaatje is echter complexer dan dat. Sinds de jaren ’70 houden antropologen of etnografen zich ook bezig met stadsetnografie. Omdat de wereld zich bevindt in de stad en de stad in de wereld, is het aangewezen dit onderzoek op de voorgrond te plaatsen. Vooral wanneer deze etnografen ontmoeting en de alledaagsheid gaan onderzoeken zijn we er als de kippen bij.
> Uw onderzoek spitst zich toe op ‘de stad in zakformaat’. Wat bedoelt u hiermee?
“De stad in zakformaat bestaat erin dat je alledaagse relaties centraal stelt. Als onderzoeker gebruik je hiervoor vooral een kwalitatieve methode van onderzoek. Je gaat rechtstreeks vragen stellen aan mensen en je als onderzoeker ook onderdompelen in de realiteit. We noemen dit etnografisch onderzoek. Dit soort onderzoek draagt bij tot een goed beleid omdat je meer biedt dan cijfers alleen. Maar er zijn weinig instrumenten waarmee we de complexiteit van die beleving van de stad kunnen ontleden. Iedereen lijkt geobsedeerd door de stad, maar niemand weet hoe mensen de stad ervaren. Iedereen heeft de mond vol van de kleine man in de straat, terwijl er naar hem uiteindelijk weinig aandacht gaat. Natuurlijk moet je niet klakkeloos overnemen wat mensen zeggen, maar je kunt geen beleid uitbouwen door alleen van bovenaf alles te sturen.
Ik bestudeer specifiek de alledaagse, vluchtige relaties tussen mensen in de stad. Loïs Wirth gaf de eerste afbakening voor zo’n onderzoek. Hij onderzocht de stad als een ruimte met een heterogene bevolking die heel vluchtige contacten had. Ik heb gezocht naar gecomprimeerde ruimtes waar een heterogeen publiek kwam om over de stad te kunnen spreken. Die ruimtes zijn zowel winkelruimtes als bijvoorbeeld de tram. Op deze plaatsen heb je heel veel relatietypes en zie je de gelaagde stad. De tram doorsnijdt ook veel verschillende wijken waardoor je het parochiale gaat vermijden. Centraal in mijn onderzoek staat “publieke ruimte”; een ruimte waar mensen elkaar kruisen en ontmoeten. En dat zijn niet alleen de stoep en pleintjes.”
> Dat zie je ook aan de publieke ruimtes die u bestudeert. Aan de ene kant bestudeert u het openbaar vervoer, dat meestal alleen in beeld komt wanneer er conflicten zijn Aan de andere kant de shoppingcentra die meestal als “niet-plaatsen” worden gezien. Hoe ziet u dat?
“Intellectuelen gaan die shoppingcentra echter vaak benaderen als plaatsen zonder betekenis waar alleen commercie en koopkracht centraal staan. Men spreekt dan inderdaad van “niet-plaatsen”, wat duidt op het feit dat dit symbolisch lege plekken zouden zijn. Die analyses zijn echter meestal heel politiek en bovendien uit de hoogte. Ik wil geen grootwarenhuizen gaan promoten. Het kapitalisme en de concurrentiemaatschappij sluit mensen echt uit, zoveel is zeker, maar je kunt er niet naast kijken dat op die plaatsen nu eenmaal het alledaagse leven plaats vindt. Ik laat me eigenlijk vooral leiden door mensen. Het is echt zo simpel. We kunnen blijven wijken bestuderen, maar daar zit de grote massa nu eenmaal niet. In het weekend bevinden die zich in Blankenberge en in shoppingcentra. Het buffet van de HEMA is bijvoorbeeld heel erg populair. De tijd dat we allemaal op onze stoep zaten is voorbij, of we dit nu betreuren of niet. Bovendien was het niet altijd peis en vree op de stoep.
Mensen zijn ook niet zomaar een kudde die passief toekijkt en zich laat manipuleren. Mensen geven actief vorm aan de wereld en aan hun omgeving. Daardoor ontstaat zelfs op plaatsen zoals de tram en het warenhuis een symbolische wereld, bestaande uit de creatieve zingeving van mensen. We gebruiken beter niet de term “publieke ruimte”, maar wel “collectieve ruimtes”. Dat is een correctere term waarin we ook andere ruimtes zoals shoppingcentra kunnen incorporeren. Een publieke ruimte alleen bekijken door de bril van toegankelijkheid is te eng. Een verengde toegang kan nog steeds openbaarheid bezitten al keur ik die verenging daarom niet goed. In Los Angeles bijvoorbeeld zijn sommige parken alleen maar toegankelijk voor klanten van bepaalde winkels. Die bedreiging van de openbaarheid moet je zeker in kaart brengen. Maar men vergeet dat het leven zich verder ontwikkelt en dat er steeds nieuwe vormen ontstaan. In die nieuwe veranderende context wordt nog altijd betekenisvol gedrag gesteld.”
> U noemt deze vorm van alledaagse ontmoeting en vluchtig contact een “lichte gemeenschap”. Kunt u hier een voorbeeld van geven?
“Wel, een heel persoonlijk verhaal. Ik moest mijn kinderen in het nieuw steken voor de trouw van mijn zus. Ik ging daarom naar een winkelcentrum. Je hebt daar van die spelletjes voor kinderen. Natuurlijk is dit waarschijnlijk om plat commerciële redenen, maar ondertussen staan ze er wel. Mijn zoontjes begonnen te spelen met dat speelgoed samen met andere kinderen. Na een tijdje ging er één van hen weg en zei “daaaag, tot nooit meer hé!”. Dat betekent simpelweg dat iedere ontmoeting op een bepaald moment wordt ontbonden, niet dat die vluchtige ontmoeting niet zinvol is. De aanwezigheid van die spelletjes zorgt er dus voor dat mensen elkaar ontmoeten, zelfs al is dat kort. De manieren van samenzijn zijn veranderd. De collectieve identiteit van vroeger was wel belangrijk, maar om dit te gaan idealiseren en alles tot “herstel van de collectieve gemeenschap” terug te brengen, is te eng. Gemeenschap kan ook bestaan in relationele vertakkingen en uit netwerken die tijdelijk zijn. Die netwerken moeten we een plaats geven in ons hele denken omtrent sociale cohesie. Je moet niet alles willen beheersen.”
> Je kunt wel zeggen dat er netwerken, vluchtige contacten plaatsgrijpen en de mobiliteit van mensen benadrukken, maar niet iedereen is mobiel of maakt deel uit van een netwerk? Integendeel, soms is er grote sociale segregatie en immobiliteit?
“Ik geloof niet in immobiliteit. We hebben lang theorieën gehad over de beperkte leefwereld van armen enz. Ik kom zelf uit dat veld van de beweging en ik woonde heel mijn leven in volkswijken. Wat ik daar heb gezien klopt niet met die beperkte mobiliteit. De vraag is gewoon niet juist. De vraag is wel: “Waarvoor verplaatst men zich?” Soms zijn de theoretische modellen die “de niet-plaats” centraal stellen, gebaseerd op intellectuelen die zich alleen maar bewegen zonder ooit nog stil te staan bij de plaatsen waar mensen echt komen. Als je iets wil weten over Marokkaanse jongeren, dan moet je maar eens onderzoek doen in de H&M en de Zara. Maar deze plaatsen worden door intellectuelen als “niet-plaatsen” bestempeld. Natuurlijk is er sociale onrechtvaardigheid. Dat weet iedereen. Daar stopt het plaatje echter niet. Er is wel een scheiding, maar je kunt niet naast de plaatsen kijken die verbondenheid brengen. Als je bepaalde plaatsen al vooraf gaat uitsluiten door ze als ‘niet-waardevol’ te gaan bestempelen, dan kom je zeker niks te weten over het alledaagse leven.”
> Hoe is de situatie in Antwerpen? Is de leefbaarheid voor de kansarmen onder de ‘linkse en progressieve’ Patrick er vreemd genoeg niet op achteruitgegaan?
“Er is zeker sociale verdringing. Toch moet je dit buurt per buurt bekijken, zelfs straat per straat. Ik woon in Antwerpen Noord. Daar is er wel ingegrepen door het beleid vóór dit fenomeen van sociale verdringing zich echt kon doorzetten. Er werden sociale woningen gebouwd vooraleer de nieuwe middenklasse veel huizen opkocht.
De deur-aan-deurcontroles hebben te maken met het groeiende veiligheidsdiscours. Jammer genoeg wordt veiligheid gekaapt door twee dominante perspectieven erop. Aan de ene kant heb je de repressieve kant terwijl je aan de andere kant de softe begripsvolle kant hebt voor alles wat verkeerd loopt. Ik heb altijd benadrukt dat bijvoorbeeld, als middenweg tussen deze extremen, controleurs op tram en bus belangrijk zijn. Zij geven een veilig gevoel terwijl ze ook de sociale kant van ontmoeting bevorderen. Hun rol gaat voorbij die klassieke scheiding van soft versus hard. Voor de meeste mensen betekenen die heel simpele zaken “veiligheid”. Jammer dat het sociale veld dit thema heeft laten liggen, terwijl de achterban hier wel voor open stond.”
> We willen altijd met buurtwerk, sociaal werk en opbouwwerk gaan interveniëren. Het lijkt alsof we elkaar willens nillens zullen en moeten ontmoeten. Hoe staat u hier tegenover?
“We organiseren inderdaad soms sociale cohesie van bovenaf. We geven iedereen zijn eigen feest met eigen hapjes en eigen muziek. Soms is dit heel emancipatorisch bedoeld. Buurtwerkers richten zich soms op de buurt als afgebakend terrein, terwijl mensen meer zijn dan alleen hun wijk. Het is zeer belangrijk een breder publiek te vinden met raakpunten. Door deze overkoepeling bouw je sociaal krediet op. We zijn groepen zoals de lagere middenklasse uit het oog verloren. We hebben ons zodanig gefocust op de kansarme groepen en migranten, dat we een breder perspectief verloren zijn. We spreken constant over diversiteit terwijl we dit voortdurend vernauwen tot één culturele groep. Al is dit belangrijk, toch is het geen echte diversiteit. Diversiteit gaat erover dat je verschillende leefwerelden en discours met elkaar probeert te verbinden. Verschillen lijken alleen leuk en tof, maar breder dan dat gaat het niet.
Alle kaarten worden inderdaad ingezet op het sociaal formele initiatief van bovenaf. Als je daarentegen die case bekijkt van de bejaarden die voor overlast zorgden in een shoppingcenter, dan kun je je vragen beginnen stellen over de manier waarop we naar “ontmoeting” en “sociale cohesie” kijken. Ze gaan daar voor een praatje met de verkoopsters. Je moet wel het aanbod bekijken, maar op zich is er niks mis met een babbeltje doen in een shoppingcenter. Ze willen niet in een centrum gestopt en ingelijfd worden. Als je mensen samen steekt in een wijk of centrum, dan heb je een leuk decor, maar niks meer.”
PASCAL DEBRUYNE
